vonder kop
vonder kop

Voormalige schuurkerk, G463

Voor de schuurkerk starten we met een samengesteld verhaal van de in 2019 overleden Harry Verdijsseldonck in het Astens weekblad van 23-03-1994 en 13-12-1995:

In de Lindestraat staat het oudste en nu zowat enige monument dat Asten nog bezit. Het is de muur tussen de protestantse kerk en de oude pastorie. Gelukkig is de muur enkele jaren geleden nog gerestaureerd. Aanvankelijk bezaten de katholieken in Asten de grote parochiekerk op het huidige Koningsplein. De toren stond oostwaarts, waar nu het glazen kunstwerk staat. Bij de vrede van Munster in 1648 viel deze in handen van de Astense protestanten.
De Astense katholieken weken, samen met die van Someren uit naar het Kievitsven, waar men op Nederweerts grondgebied een schuilkerk bouwde. De Fransen die in 1672 naar ons land kwamen, waren overwegend katholiek en versoepelden de regels voor hun geloofsgenoten hier. De katholieken bouwden een kerk in de Lindestraat. Hiervan is nog een gedeelte van de voorgevel te zien aan het uiterst rechtse stuk van de muur, grenzend aan de oude pastorie. Een schuilkerk was niet toegestaan, meestal klein van omvang en de diensten waren in het diepste geheim. Het werd een schuurkerk die ruimer van opzet was. Diensten werden oogluikend toegelaten en de overheid, aanvankelijk de plaatselijke en later ook de landelijke, vroeg flink smeergeld.
Bij een resolutie van 19 juli 1730 werden alle katholieke kerken door de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden verplicht elk jaar een vast bedrag te betalen voor de pastoor en de kapelaan(s) aan die kerk verbonden. Op 12 november 1759 kregen de Astense katholieken van de Staten van Holland verlof het gebouw te vernieuwen. Men bouwde nu in een boerderij in het dorp de schuurkerk Onze Lieve Vrouw van Klein Linden. Aan de buitenkant mocht niet gezien worden dat dat een kerk was en die schuurkerk stond in de Lindestraat.
Het gebouw was eigendom van de kasteelheer, Pieter Valkenier, sinds 1735 heer van Asten en overleden in 1738. Zijn weduwe Bregje van Ghesel verhuurt op 29 december 1750 de kerkschuur aan de Roomse kerkmeesters Hendrik Berkers en Peter van Bussel. Die kunnen het Roomse kerkhuis voor 15 jaar huren. Jaarlijks zullen ze daarvoor 15 gulden aan huur betalen aan de kasteelvrouwe. Ze zijn verplicht om het gebouw goed te onderhouden. Bregje van Ghesel maakt van de gelegenheid gebruik om in het huurcontract ook de periode van de heerschappij van haar man en haarzelf vanaf 1735 met terugwerkende kracht te regelen. De kerkmeesters moeten tevens betalen voor de voorgaande 17 jaren. Voor 1750 ook een huur van 15 gulden en voor de 16 jaren daarvoor een huur van 10 gulden per jaar. Die 175 gulden mogen in twee termijnen aan Antoni la Forme, de rentmeester van Bregje, betaald worden. De betaaldagen zijn 15 april 1751 en 15 september 1751. In mijn huis hoor ik wel eens vertellen, dat de muur in de Lindestraat naast het protestantse kerkje een overblijfsel is van die oude schuurkerk van Asten.
In een officieel stuk van 11 maart 1807 worden de verkoopers verpligt de muur daer, alwaer de glaese raeme gestaen hebben, so hoog met goede steenen en kalk behoorlijk op te metselen, en dat de geheele muur gelijk in hoogte is. Op 17 september 1798 kochten de katholieken de kerk (ƒ 8150,-) en pastorie (ƒ 3000,-) op het Koningsplein terug. Eigenlijk was dat niet eerlijk, want de katholieke eigendommen waren in 1648 zonder meer, zonder enige schadevergoeding afgenomen. De kerk werd opgeknapt en de Protestanten mochten tijdens de werkzaamheden nog gebruik maken van het gebouw. Voorlopig werd de pastorie voor ƒ 60,- per jaar verhuurd aan de dominee, die er later maar niet uit wilde. De pastoor was oud en slecht ter been en moest meerdere malen per dag lopen van de pastorie aan de Lindestraat naar het Koningsplein, waar de kerk vanaf 1800 weer volop in gebruik was. De protestanten kwamen nu bijeen in een kamer van de pastorie. Ze wilden graag de schuurkerk van de katholieken, die ze nu toch niet meer nodig hadden, huren, maar hadden geen geld. Daarom en ook uit wrevel dat de dominee niet verkassen wilde, werd de schuilkerk in 1806 gesloopt. In november 1807 verhuisde de dominee van de pastorie aan het Koningsplein naar de pastorie aan de Lindestraat, waar hij dezelfde huur betaalde. Daar kerkten ook de protestanten, tot in 1825 de kerk werd gebouwd.

Op basis van dit artikel rijzen een aantal vragen, die we hier gaan behandelen op basis van literatuur en archiefstukken:

1) Wanneer moesten de katholieken de parochiekerk afstaan aan de gereformeerden?
2) Wanneer is de schuurkerk in gebruik genomen en wat is de bewoningsgeschiedenis van dit pand?
3) Is er iets terug te vinden over verbouwingen van de schuurkerk?
4) Welke pastoors en kapelaans waren bij de schuurkerk betrokken?
5) Is er iets terug te vinden over de afbraak van de schuurkerk?

Deze vragen worden verder uitgewerkt in de onderstaande hoofdstukken:

Kerk in handen van gereformeerden

Hiervoor keren we terug naar het einde van de 80-jarige oorlog bij het tekenen van het verdrag van Munster tussen de Spanjaarden en de Verenigde Republiek der Nederlanden[1]:

Wat het vredesakkoord zo lang heeft opgehouden was mede een religieuze kwestie. Het ging om de gebieden die sedert het Twaalfjarig Bestand waren veroverd in Vlaanderen, Brabant (het Markiezaat van Bergen op Zoom, de Baronie van Breda, het land van Cuyk en de Meierij van Den Bosch) en Limburg (de landen van Overmaze). Van de gewesten ten noorden daarvan, die bij het Twaalfjarig Bestand in 1609 al bij de Republiek behoorden en grotendeels waren geprotestantiseerd, was voor de Vrede van Munster duidelijk dat Spanje die officieel zou overdragen aan de Staten-Generaal. Voor de later veroverde gebieden zou niet anders kunnen gelden, maar de bevolking daar was nog overwegend rooms-katholiek. Omwille van deze geloofsgenoten hield Spanje eraan vast dat de Nederlandse soevereiniteit alleen wereldlijk en niet geestelijk zou zijn.
Eind 1646 lag het vredestractaat eigenlijk al klaar, op artikel 19 over het bovengenoemde punt na. Dat het een steen des aanstoots bleef, lag echter niet alleen aan de onverzettelijkheid van de Staten-Generaal, die zowel het politieke als het religieuze alleenrecht over de bewuste gebieden eisten. De Spanjaarden wilden uiteindelijk wel toegeven, maar het probleem was dat zij de soevereiniteit wel temporeel maar niet spiritueel konden afstaan. Dat laatste kwam alleen de paus van Rome toe. De Spaanse afgezant in Munster kon wel janken van verontwaardiging over de houding van de Nederlanders. Hadden ze bijna tachtig jaar lang onder het mom van godsdienstvrijheid voor de protestanten de koning van Spanje bestreden, wilden ze nu de oorlog laten voortduren om een punt dat de gewetensvrijheid van de katholieken de das om zou doen.
Voor de Meierij van 's-Hertogenbosch werd een grote kerkelijke vergadering uitgeschreven, die in juli 1648 voor enkele maanden bijeenkwam. Ze stond onder leiding van dominee Godefridus Udemans, een bekend voorman van de Nadere Reformatie. De vergadering benoemde een groot aantal nieuwe predikanten, schoolmeesters en kosters voor de dorpen van Oost-Brabant. Dat de calvinisering van de bevolking een fiasco zou worden, kon men toen nog niet weten.

De laatste alinea in het bovenstaande was de aanzet tot reformatie van kerk en school en hieronder een samengesteld verhaal[2][3]:

In 1651 werd tijdens de zogeheten Grote Vergadering van alle gewesten van de Republiek de status van de religie formeel vastgelegd. De enige toegestane religie was de Gereformeerde Kerk, die destijds Nederduitse Gereformeerde Kerk (later Nederlandse Hervormde Kerk) werd genoemd. Andere kerken werden echter ook van een status voorzien, zolang men zich maar aan de bovenstaande regels en afspraken hield. Verder werd afgesproken dat stedelijke en gewestelijke overheden het beleid bepaalden. Kortom, de bestaande situatie van een typisch gedoogbeleid kreeg hiermee een wettelijke onderbouwing.
De Republiek had, zoals bekend, geen vorst, laat staan een absolute. Maar hier te lande werd wel in 1651 de Grote Vergadering gehouden, om te beraadslagen over de Unie, de religie en de militie onder de veranderde omstandigheden na het sluiten van de vrede. De bepalingen van deze Grote Vergadering over de religie pasten geheel in het voor noordwest Europa heersende patroon. Er zou één publieke religie zijn, de gereformeerde religie zoals die in de kerken gepredikt werd en op de Synode van Dordrecht was geformuleerd.
Die religie zou ook, zowel in de soevereine provincies als in de generaliteitslanden, met de macht van het land gehandhaafd worden. Andere religies dan de gereformeerde zouden toegelaten blijven, maar onder strikte voorwaarden. Zij bleven uitgesloten van de publieke protectie. Zij mochten zich niet uitbreiden en moesten de publiciteit mijden. De plakkaten tegen de katholieken bleven van kracht. In de jaren die volgden werd aan deze bepalingen ook gevolg gegeven. Plakkaten tegen de katholieken werden vernieuwd. Er werd, met wisselend succes, op naleving ervan aangedrongen. Er werd meer ernst gemaakt met de wering van niet-gereformeerden uit openbare ambten.

Gerard Rooijakkers schrijft hierover in zijn boek rituele repertoires in Noord Brabant[4]:

De goederen werden aan de gereformeerde gemeenten toegekend die, gezien hun omvang, zelf niet over voldoende middelen beschikten om de kerkgebouwen te onderhouden, aan te passen en te voorzien van nieuw meubilair. Zo werd in Asten omstreeks 1653 elf dagen lang een Bossche schrijnwerker ingehuurd om een nieuwe predikstoel, tuyn ende eenen stoel om den pylaer alsmede twee denne gestoelte in de kerck te timmeren voor een bedrag van 450 gulden. Daarnaast werd bij een zilversmid in Den Bosch een zilveren avondmaalsbeker van 25 gulden besteld. Veelzeggend is dat op de rekeningen tevens de kosten werden genoteerd van de inventarisatie van de verwijderde kerkelijke ornamenten, die enkele jaren later door predikant de Ruyter ten behoeve van de gereformeerde kerk zouden worden verkocht.

Bij Taxandria; tijdschrift voor Noordbrabantsche geschiedenis en volkskunde, 1931, 01-01-1931 vinden we meer details over de veranderingen die plaatsvonden bij de herinrichting van de kerk:

01a

In Asten zijn het de predikanten Samplonius en de Ruyter die de kerk hebben leeggehaald en de altaren en andere kerkelijke ornamenten zijn vermoedelijk aan een kerk in Engeland verkocht. Hieronder uit het Groot placaet-boeck de Ordonnantie jegens 't verduysteren der Ornamenten en Kerckelijcke goederen inde Meyerye van 's Hertogen Bosch, 12 12-1651[5]:

01b

De kerkmeesters beklagen zich over het feit dat zij administratie voeren voor geld voor de godsdienst:

Resoluties Raad van State, 190-216 folio 446; 02-09-1659:
Rekest van 2004-1657 van Martinus van der Lith en Jan Jans kerkmeesters van de parochiekerk van de grondheerlijkheid Asten inzake een bedrag van 800 gulden, dat niet gegeven zou zijn ter reparatie van de kerk aldaar maar puur tot de godsdienst en daarom onder rhun administratie behoort.

In het Kerkelyk plakaat-boek over Resoluties der Staten Generaal van 06-12-1649 wordt gemeld dat de Abt van Echternach zijn bijdrage aan predikanten en aan het onderhoud van de kerk op dezelfde voet als vroeger moet voortzetten[6]:

01c

Ook werden er na klachten van gereformeerden maatregelen genomen. Ter illustratie volgen hier een aantal maatregelen die werden uitgevaardigd door plaatselijke bestuurders in Peel- en Kempenland, bedoeld om tegemoet te komen aan de gereformeerde klachten. Zo werd in het keurboek van Asten en Ommel in 1659 expliciet gesteld dat men niet op de kerk mocht schieten of er naar gooien, op straffe van een boete van twee gulden. Een ordonnantie van de schepenen van Asten, waarin men, om klachten bij het centraal gezag in Den Haag te voorkomen, bepaalt dat niemant onder de predicatien op off ontrent den kerkhoff tot verhindering vande Gereformeerde Godtsdienst cenigh geschall off geroep sal mogen maecken, veel minder door off tegens de glasen te werpen.
De gereformeerden van hun kant namen maatregelen tegen de devote objecten van de katholieken. Tot de religieuze objecten die geëlimineerd dienden te worden behoorden ook gesacraliseerde landschappelijke elementen als bomen, heuveltjes en bronnen. De predikanten van de classis Peel- en Kempenland stelden dat de sogenaamde geweijde of Heijlige Eijken of Linden sullen werden uijtgeroeijt, so er te Eersel, en Asten, of elders anders mogte weesen. Het betrof hier doorgaans bomen waarin de Moeder Gods zou zijn verschenen en / of vereerd wilde worden. Rondom dergelijke heilige loofbomen ontstonden officieel erkende cultussen met een grote toeloop van gelovigen in de vorm van begangenissen of bedevaarten, zoals onder meer te Ommel.
De heilige boom daar, waarvan in het classisrapport van omstreeks 1750 wordt gerept, stond in predikant Stephanus Hanewinkels tijd nog langs de weg tussen Asten en Ommel. In laatstgenoemde plaats was vele jaren eerder een populaire bedevaartkapel gebouwd, waar tot 1732 een miraculeuze Sedes Sapienliae, Onze Lieve Vrouw als Zetel der Wijsheid, werd vereerd. "Dit wonderverrichtend beeld zou in de allervroegste tijden gerust hebben in of onder eenen grooten Lindenboom", aldus de predikant, die had gezien dat deze plek voor het domme volk zijn sacrale kracht nog niet had verloren: "Men bid ook dikwijls onder deezen boom, en kruipt er geduurig op de knieën rond, gelijk men duidelijk zien kan; elke Roomsche, die deezen heiligen boom voorbij gaat, neemt zijnen hoed eerbiedig voor denzelven af. In Holland zijn wij zoo beleefd niet, om boomen te groeten". Mogelijk is de devotie bij deze zogeheten keskesboom toegenomen toen de zusters franciscanessen het klooster in 1732, met medeneming van het in hun beheer zijnde wonderbeeld, moesten verlaten om er pas na de Franse Tijd weer terug te keren.
Behalve bomen werden er ook natuurlijke bronnen vereerd: het betrof dan devoties die sterk waren verankerd in een archetypische natuurmystiek. Een dergelijke heilige put was er onder meer in Asten. Aan het water uit deze gekerstende en aan de heilige Willibrord toegewijde bron werd een geneeskrachtige werking toegeschreven.
De uitoefening van de katholieke godsdienst werd door de wereldlijke ambtenaren getolereerd, mits jaarlijkse recognitiegelden, alsmede de admissiegelden bij de aanstelling van een nieuwe priester maar werden betaald. Gevoegd bij de meer incidentele baten hepen deze bedragen dermate op dat de Staten-Generaal reeds in 1666 een verbod uitvaardigden om zich ten koste van de katholieke bevolking te verrijken.

Schuilkerk in Weert

Uit een artikel over Schuilkerken in het Weerter bos[7] kunnen we volgende lezen over de schuilkerk, die de Astense katholieken in die tijd bezochten, nadat hun kerk was afgepakt door de gereformeerden:

In het Memoriaalboek van het klooster der Minderbroeders nabij Weert, begonnen 1644 staat het volgende vermeld:
Hoc Anno 1649 in Maio emanarunt atrocia Edicta a Statibus Hollandiae et confoederatis contra Ecclesiasticos et omnes qui in locis sibi subjectis Ecclesiasticos reciperent hospitio aut Diuinis officijs interessent. Rinc factum quod Ecclesiastici non auderent comparere in Maioria, multo minus Diuina ibidem celebrare. Inde exortum quod nos Fratres Minores Weertenses primo omnium conuocaeurimus in Bolderdijk - pro prima uice in festo Pentecostes Anni 1649 Incolas de Summeren, Asten, Lijrop, Mierlo, Heeze, Sterxel, Leendt, Maris et ex alijs locis uicinis.
Ibique singulis Dominicis et Festiuis diebus Missam celebrauimus et concionati sumus aliquot uicibus sub dio. Posteaerectumest paruum sacellum ut Diuina sub tecto saltem elebrarentur actandem praefato sacello adiectum est tectum oblongius ad instar horrei ut tempore hijemis et aurae inserenae possent eo confluentes ab imbribus, niuibus et alijs aeris inclementijs defendi. Conuenerunt autem ibidem saepissime mille, aliquando duo millia Catholicorum.

Ten gevolge van in mei 1649 door de Staten van Holland en de Verenigde provincies uitgevaardigde plakkaten mochten geen priesters meer in de Meijerij van 's Hertogenbosch verblijven noch er godsdienstoefeningen verrichten. Daarom hebben de Minderbroeders van Weert, voor het eerst op Pinksteren 1649, op de Bolderdijk tezamen doen komen de inwoners van Someren, Asten, Lierop, Mierlo, Heeze, Leende, Sterksel, Maarheeze en andere plaatsen (Budel en Soerendonk).
Daar lazen de Minderbroeders van Weert iedere zon- en feestdag de Heilige Mis en preekten er, eerst onder de blote hemel. Daarna geschiedden de heilige geheimen onder een soort afdak, waaraan later een soort schuur is aangebouwd om de mensen, die daar tezamen kwamen, vaak duizend, soms zelfs wel tweeduizend, tegen regen, sneeuw en andere weersgesteldheden te beschutten.

Nu lag toentertijd vlak over de grens van de Meijerij, precies op Nederweerts gebied en wel aan de Bolderdijk, een hut mogelijk een plaggenhut of een soort schaapskooi welke op een kaart van die tijd als De Hut staat aangeduid. Deze hut nu stond ter plaatse, waar thans de zogenaamde Somerse hut ligt, op het perceel grond, kadastraal bekend als sectie C3191 van de gemeente Nederweert. Op dit perceel grond staat in de onmiddellijke nabijheid van het Kievitsven een oude eikenboom en bij deze boom heeft volgens de overlevering ter plaatse eerst het afdak en vervolgens de aan dit afdak aangebouwde schuur gestaan.
Van deze schuilkerk is het nog interessant te vermelden, dat Magdalena van Egmond, gravin van Weert en Nederweert, op 16 October 1651 aan de bewoners van Someren en Asten verlof gaf om ter plaatse, waar zij al ruim twee jaar ter kerke gingen, een enigszins behoorlijk bedehuis met pastorie te bouwen. Vermoedelijk heeft zich hier de pastoor van Asten gevestigd, daar de pastoor van Someren toen reeds in Someren zelf zat ondergedoken op de Eelenburg van zijn vriend Jan Back Wijtfliet.
Met de vestiging van de pastoor van Asten op de Bolderdijk zijn dan zeer waarschijnlijk ook de werkzaamheden der Minderbroeders van Weert aldaar opgehouden. Het kerken van Asten op de Bolderdijk heeft geduurd tot 1672, in het geheel dus 24 jaar.

Het betreft dan de pastoors Joannes Timmermans van 1651 tot zijn overlijden in 1657 en Henricus van der Cruys van 1657 tot 1672. Hieronder de kaart van Hendrik Verhees uit 1756 met daarop linksonder het Kivitsven met daarbij de hut en de weg naar Someren met de naam Kerkdijk:

01d

De wandeling van Asten over de Kerkdijk in Someren naar de schuilkerk bij het Kievitsven was ruim 12 kilometer.

In het rampjaar 1672 werden de politieke verhoudingen in de Republiek opnieuw op scherp gezet. De Republiek werd bevochten door een militaire coalitie van Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen en wist ternauwernood te overleven. De zwakke positie van de Republiek deed de hoop op een Brabantse vertegenwoordiging in de Staten-Generaal opleven en vertegenwoordigers uit 's-Hertogenbosch togen met een verzoekschrift naar Den Haag. De strakke touwtjes met betrekking tot de katholieken werden enigszins gevierd, zoals ook beschreven door Gerard Rooijakkers in rituele repertoires in Noord Brabant[4]:

De Franse bezetting van de Meierij in 1672 gaf de inheemse katholieken moed en vormde een keerpunt in de uitoefening van het katholicisme De algemeen geworden aanduiding rampjaar voor deze episode wijst dan ook op de sterk Hollands-centrische oriëntatie van de vaderlandse geschiedenis, voor de Meiereijse katholieken brachten de Franse troepen immers religieuze vrijheid De classes klaagden over de sterk toegenomen paapse stoutigheden, die zich evenwel niet meer lieten terugdraaien en steeds vaker konden rekenen op conniventie, oogluikend toestaan, van de overheid.

De gereformeerden en dan met met name predikant Aelstius voelden zich bedreigd en bij de Raad van State wordt verzocht om bescherming tegen de overwegende katholieke bevolking:

Resoluties Raad van State folio 435 verso; 11-05-1672:
Onderzoeksrapport door de heren gedeputeerden voor de meierij van ’s-Hertogenbosch op een rekest van de classis van stad en meierij versoeckende tot bescherminge ende protectie der praedicanten ende andere ingesetenen van de gereformeerde religie in de voorschreve meijerije eenige vaste huijsen met militie beset ende voorts alomme bequaeme slaghboomen gemaeckt, de bijwegen opgegraven ende de ingesetenen belast souden mogen werden haer tot hare defentie veerdigh ende paraet te houden ende dat voorts het placcaet den 11e juny 1666 geemaneert werderom soude mogen werden gerenoveert. Het rekest wordt doorgestuurd naar de Raad van State.

Ingebruikname schuurkerk

Er is weinig gedocumenteerd over de ingebruikname van de schuurkerk in de Lindestraat en vaak wordt het jaartal 1672 genoemd. Dit valt opmerkelijk samen met het overlijden van Anthonetta van Doerne, vrouw van de Heer van Asten, Everard van Doerne. In haar onvolledige testament wordt echter niet gerept over een gift aan de katholieken van Asten:

Asten Rechterlijk Archief 53; 06-12-1671:
Juffrouw Anthonetta van Deurne, Vrouwe van Asten, ziek in de kraam liggende, op den Casteele van Asten maakt haar testament, ook met toestemming van haar man Everard de Doerne, Heer van Asten.
Alle goederen van haar gaan over naar haar man, om daarmee te mogen handelen naar vrije keuze, met dien verstande, dat hij als momboir van haar kinderen hen de helft van haar goederen zal moeten uitkeren. En de andere helft na overlijden van hem, of als de kinderen tot het huwelijk gekomen zijn. Als haar man niet meer hertrouwd zullen de goederen van de Heerlijkheid, voor zover het leengoederen zijn, succederen volgens het leenrecht. Indien hij wel komt te hertrouwen, zonder een zoon / zonen na te laten, dat dan de oudste dochter uyt crachte van prenumeratie zal ontvangen ? en onder restrictie dat de drie zusters met name Maria, Hendrietta en Florentina van Deurne zullen ontvangen de jaarlijkse rente van Dirck Teeuwens, te Heusden, zijnde ƒ 109,50 per jaar en dat gedurende haar leven lang. Na haar overlijden zal aan den Armen uitgereikt worden ƒ 125,-.

Volgen we de tijdslijn van de goederen van de Heeren en Vrouwen van Asten, dan kunnen we reconstrueren om welk leengoed het gaat. Na het overlijden van Everard van Doerne op 22-02-1705 worden de goederen behorende tot de Heerlijkheid Asten overgedragen aan zijn tweede vrouw, Anna Constantia de Boecop:

Asten Rechterlijk Archief 10 folio 203 verso; 18-11-1705:
Barones Anna Constantia de Boecop, Vrouwe van Asten, geeft procuratie aan Philips van Delden, substituut griffier van de Raad van Brabant, te 's Gravenhage, om namens haar te compareren voor de president en andere raden van de Leenhove van Brabant, te 's Gravenhage om aldaar ten erfrechte te verheffen de grondheerlijkheid Asten met het adelijk kasteel, huizen, landerijen enzovoorts. Zoals Everard de Doerne het op 15 maart 1656 voor dezelfde Raad verheven heeft. Indien vereist wordt, en anders niet, kan tot sterfman ofte besetman gesteld worden Hendrick Verbeeck, advocaet, te Aerle.

Daarna komen de goederen in bezit van haar dochter Anna Wilhelmina van Doerne:

Asten Rechterlijk Archief 114 folio 144 verso; 15-01-1716:
Anna Wilhelmina Baronnesse de Doerne geeft procuratie aan J. Boon, procureur om namens haar aan het Leenhof van Brabant, te 's Gravenhage, te verzoeken beleyt ende beleent te worden met het erfregt van den hogen gerigte ende heerlijcheyt Asten en Ommel, steenen huysinge met alle ap- en depedentien ende allen anderen saken gehoorende des leens met magt van substitutie in kas van belet.

Na haar overlijden op 23-11-1720 spoedt diens echtgenote, Gerardus Colonster Horion, vanuit Wenen naar Asten, volgens Resoluties Raad van State, gedigitaliseerd door Henk Beijers:

01e

Hij wordt daarna eigenaar van de goederen, die dan ruim 60 jaar in handen zijn geweest van de familie van Doerne. In 1723 worden de goederen in arrest genomen:

Asten Rechterlijk Archief 115 folio 191; 03-08-1723:
Willem de With junior, deurweerder, verklaart ter instantie van Suyskens, advocaat, te 's Hertogenbosch als impetrant van mandement van arrest en daagsel met de clausule van edict tegen Gerard Assuees Lodewijck Baron van Horion Colonster, Heer van Asten de dato 26-07-1723 in arrest te hebben genomen zijn particuliere goederen en het recht van togte als hij heeft op de goederen van Anna Wilhelmina Baronnesse van Doerne, wijlen zijn vrouw.

In 1726 wordt het klooster van Ommel en een huis door Gerardus Colonster Horion overgedragen aan Johannes de Bertholt Ruyff de Belven:

Asten Rechterlijk Archief 107b folio 96; 18-09-1726:
Hendrick de Bye, notaris, te 's Hertogenbosch, namens Gerardus Assueris Ludowycus Baron de Horyon, Heer van Colonster, Angleur draagt over aan Johannes Christoforus Baron de Bertholt het Clooster, te Ommel te weten huis, schuur, schop, stallen, bleekveld, hof en lege plaats. Nog wordt overgedragen een huis met toebehoren, westwaarts de kinderen Nicolaas van der Linden, zuidoostwaarts de straat.

Uit bovenstaand archiefstuk kunnen we de ligging van het huis bepalen, omdat het westwaarts ligt van een perceel in bezit van de kinderen van Nicolaas van der Linden, waarop later de Rooms Katholieke pastorie wordt gebouwd (zie Lindestraat 7). De kinderen Nicolaas van der Linden woonden destijds in een huis gelegen tussen de huidige Logtenstraat en Burgemeester Frenckenstraat. Zowel het klooster van Ommel als het genoemde huis betreffen dus kerkelijke goederen, die nog na het heerschap van Gerardus Colonster Horion in zijn bezit waren gebleven. De goederen worden in 1734 verkocht aan Pieter Valckenier en komen na diens overlijden op 01-04-1738 in handen van diens echtgenote Bregje van Ghesel. Dat zij het verhuurd had aan de katholieke kerk kunnen we opmaken uit onderstaand archiefstuk:

Asten Rechterlijk Archief 120 folio 31 verso; 29-12-1750:
Antoni La Forme, rentmeester van Bregje van Ghezel, Vrouwe van Asten en weduwe Pieter Valkenier, schepen van Amsterdam, geeft in huur aan Hendrik Berkers en Peter van Bussel, Roomse kerkmeesters het Roomse Kerkehuis, staande in het Dorp, alwaar de Roomse Godsdienst wordt gedaan en eigendom is van de Vrouwe van Asten. Huurtermijn 15 jaar. Huursom ƒ 15,- per jaar. Lasten en onderhoud voor de huurder. Voor de afgelopen 16 jaar, zijnde geweest tot 15-12-1749, zullen de huurders ƒ 10,- per jaar betalen is ƒ 160,-. Voor het afgelopen jaar, 15-12-1750, zal betaald worden ƒ 15,-. Deze ƒ 175,- zullen betaald worden in twee termijnen te weten 15-04-1751 en 15-09-1751.

Voor die tijd werden nog maatregelen genomen om de predikanten Vermeer en Josselin en andere gereformeerden te beschermen, zoals te vinden is in de archiefcollectie van Henk Beijers[8]

Kwartiersvergaderingen van Stad en Meierij 10; 05-04-1720:
Rekest van de regenten van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende dat, ofschoon door het plakkaat van de Staten Generaal van 4 juni 1657, tot geruststelling van de predikanten en de gereformeerde personen, op zware straffen in scherpe bewoordingen is verboden om het dreigen met, of rondstrooien of aanplakken van brandbrieven, te Asten toch op 16 en 23 september 1719 en ook te Mierlo op 12 februari 1720 ’s morgens aan de huizen van de predikanten ongehoorde brand-, moord- en doodsbrieven zijn aangetroffen, waarvan de kopieën bij dit rekest zijn ingesloten. Ze verzoeken de Staten Generaal actie te ondernemen ter bescherming van de predikanten en hun familie. Gesproken wordt over het ter dood brengen van personen van de gereformeerde religie, brandstichting, gewelddadige berovingen en dat de schade verhaald wordt op de roomsgezinden.

Kwartiersvergaderingen van Stad en Meierij 10; 16-05-1720:
Missive van de Raad van Brabant geschreven op 22 april in Den Haag op een rekest van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende een verzoek dat de Hooge Mogendheden tot meerder afschrik, de predikanten, officianten en andere lieden van de gereformeerde religie onder genoemde classis gehorende, zowel de personen als hun goederen en families in bescherming te nemen en sauvegarde te bieden, interdicerende (verbiedende) aan alle en eenieder hen op enigerlei wijze te lederen (kwetsen) op straffe van de gehele gemeente die daarvoor dan aansprakelijk gesteld zal worden. Mocht het ondanks dat toch gebeuren dat iemand van de gereformeerde religie ter dood gebracht zou worden of door brandstichting of beroving schade toegebracht zou worden, de gehele gemeente en met name de roomsgezinden daarin verantwoordelijk gesteld zouden worden voor een gepaste vergoeding. De kwartierschout van Peelland wordt opgeroepen tot het weren van vagebonden en landlopers, ter beveiliging van de gereformeerden die midden in het pausdom wonen. Hierop is gedelibereerd en zijn in acht genomen de plakkaten van 4 juli 1657, 11 juni 1666 en 4 juni 1683 waarin voorzien is tegen alle moedwillige brandstichtingen en andere boosheden, overlast en schade die op het Brabantse platteland vooral aan predikanten en andere lieden van de gereformeerde religie zouden worden aangedaan. De kwartierschout van Peelland zal worden aangeschreven om enige dienaars aan te stellen van de gereformeerde religie ter wering van vagebonden en landlopers en brieven van sauvegarde te verlenen aan Bernardus van Altena predikant te Mierlo en Willem Hendrik Vermeer predikant te Asten.

In 1730 worden de recognitiegelden aan banden gelegd:

Met het plakkaat van 19 juli 1730 legde men de recognitiegelden aan banden, maar werden niet afgeschaft. Daarin werd bepaald dat de kerkmeesters voor een priester maximaal vijftig en voor een assistent ten hoogste vijfentwintig gulden mochten vragen. In feite accepteerden de Algemene Staten met dit plakkaat de conniventie ten aanzien van het overtreden van de antikatholieke plakkaten door de ambtenaren. Het vormde, ondanks dat het bedoeld was ter wering van paapse stoutigheden, een formele, zij het impliciete, erkenning van het katholicisme in de Generaliteitslanden. De vanaf 1672 gegroeide conniventie ten aanzien van katholieken werd erdoor bekrachtigd en geformaliseerd.

Johannes de Bertholt Ruyff de Belven reageert hier op door van pastoor Franciscus van der Cruijs 75 gulden te eisen:

Kwartiersvergaderingen van Stad en Meierij 12; 11-07-1732:
Rekest van Johannes Christoffel Baron van Bertolf van Belven, Heer van Asten aangevende dat de Hooge Mogendheden via hun resolutie van 19 juli 1730 de roomse kerken in de Meierij gesteld hebben op een zekere jaarlijkse tax, die door de priesters betaald dient te worden aan de rentmeesters der geestelijke goederen. Dat betekent dat de pastoor van Asten Francois van der Cruijs voor zichzelf en voor zijn kapelaan gehouden is een som van 75 gulden te voldoen, welk bedrag hij moet zien te vinden buiten last van de gemeente, dus uit de inkomsten of collecten van de offerschaal, maar dat de suppliant ter ore was gekomen dat de pastoor zich had durven verstouten om op basis van eigen autoriteit, en in weerwil van de regenten van Asten, te collecteren langs de huizen. Dat is hem overigens door drost Pieter de Cort verboden maar hij is er mee doorgegaan. De suppliant verzoekt nu aan de Hooge Mogendheden om pastoor Francois van der Cruijs te verbieden om op die manier die 75 gulden. die hij moet afdragen aan de rentmeester van de geestelijke goederen.
Rekest van Michiel van der Kruijs, Jan van Helmond, Bendert Vervordeldonck, Peter van de Vorst, Jan Verberne, Willem Roijmans, Antony Marcelis, Jan van Hooff en Jan Verhoijsen, allen zijnde van de roomse religie en tegelijk regenten van de heerlijkheid Asten in kwartier Peelland. Ze verwijzen naar een resolutie van de Staten Generaal van 19 juli 1730 aangaande de roomse kerken in de Meierij van ’s Hertogenbosch waarin is vastgelegd dat de priesters van de kerken een recognitie moeten betalen aan de rentmeester der geestelijke goederen. In Asten zou men langs de deur gaan om die bewuste 75 gulden te collecteren wat verboden was.

Naar aanleiding hiervan worden pastoor Franciscus van der Cruys, die vooraan in de huidige Emmastraat woonde, en de schuurkerk nog genoemd in het Astense archief:

Asten Rechterlijk Archief 33-52; 10-04-1732:
Pieter de Cort, drost, verzoekt aan schepenen om namens hem te verhoren Jan Janssen Aerts, Jan Peter Smits, Delis Freynssen, Jan Goort Lomans, Antony Wilberts, Jan Jansse van Dijck, Mattijs Muyen, Jenneke Dirx, Catalijn van Heugten en Mary van Heughten.
Of het niet waar is, dat Heer Francis van de Cruys Roomsch Catoliek pastoor, te Asten, op maandag, 03-03-1732, openlijk in de Roomse Kerckeschuer onder de toehoorders heeft gezegd dat degeene die de twee blancken aen hem, pastoir, niet betaelt hadde, in omgaen van voorleden-, als dit jaer, souden hebben te betaelen aen en ten huyse van Jan van Hoeck, daer 't uyt gedaen soude worden. En die dat niet deede, dat hij pastoir aende denselve soude weygeren alle diensten. Soo binnen als buyten de kerck en noyt voor deselve soude bidden. Ook zou hij de andere biechtvaders, zover dit in zijn macht zou liggen, beletten. Met toevoeging van woorden: "Ik ben souverain in mijn kerck"?
Delis Freynssen verklaart niet in de kerk te zijn geweest en de overigen verklaren dat dit zo is geweest.
Of het niet waar is, dat Heer Francis van de Cruys, op zondag, 06-04-1732, nadat de eerste dienst door de kapelaan gedaan was, op straat is gegaan en tegen alle toehoorders heeft gezegd dat niemant bij hem behoefde te comen, met de Paeschen, die hem niet voldaan hadden, de twee blancken want dat hij ze niet zou absolveren en helpen?
Jan Janssen Aerts heeft het niet gehoord, want hij was al uit de kerk. Hij heeft wel gehoord, dat Tony de Kuyper zei: "De pastoir heeft sijn schaepkens op het droog". Jan Peter Smits, Delis Freynssen, Mattijs Muyen en Mary van Heughten zijn niet daar geweest. De overigen zeggen dat het waar is.
Of pastoor van de Cruys, verleden jaar en dit jaar, geen collecte heeft gemaakt langs de huizen, samen met Jan van Hoeck?
Allen verklaren dat dit zo is.

Asten Rechterlijk Archief 117 folio 12; 24-09-1732:
Marten Marten Andriessen, oud collecteur de Gemene Middelen, verklaart ter instantie van Jan van Hooff en Jan Verhoysen, Peter van de Vorst en Bendert Vervordeldonck dat hij, deponent, door Francis van de Cruys, Rooms Katholiek pastoor, te Asten, is aangesteld geweest tot kerkmeester en dat hij vijf of zes jaren de collecte heeft helpen doen in het Rooms kerkhuis. Hij is daarna door de pastoor afgezet, zonder dat hem ooit om een rekening is gevraagd. Veel minder heeft hij rekening gedaan dit omdat hij nooit geld onder zich heeft gehad, doch dit meteen na de collecte afdroeg. Zonder ooit geweten te hebben hoeveel off hoeweenich dit jaarlijks beliep.

De opvolger van Franciscus van de Cruys, pastoor Johannes Beckers, heeft mogelijk gedacht dat hij de pastorie, dan in bezit van de gereformeerden, weer in bewoning zou krijgen:

Asten Rechterlijk Archief 30 folio 40 verso; 12-06-1747:
Maria Jan Paulus, weduwe Jan Peter Smits en Johanna Smits, weduwe Paulus Hoefnagels verklaren dat hen niet bekend is of hebben horen zeggen dat de Rooms pastoor, Johannes Beckers, in 1747 gezegd heeft dat hij voor Nieuwjaar eerstkomend op de Pastorie, waar nu predikant Albers woont, zou wonen. Marten Hendriks heeft het voorverhaalde nooit tegen de Heer Cotshausen gezegd en Josyn Hendriks heeft het nooit tegen Gabriel van Swanenberg gezegd. Allen verklaren onder presentatie van eede of onder aflegging van eede.

In 1748 wordt Petrus Aarts, pastoor van Asten en hij verbouwt het huis naast de kerkschuur om tot Rooms Katholieke pastorie (zie Lindestraat 7).

Het heeft er dus alle schijn van dat de familie van Doerne na het versoepelen van de regels voor de katholieken door de inval van de Fransen in 1672, een boerderij behorende aan het 'Huys van Asten’ in bruikleen hebben gegeven voor de beoefening van de Rooms Katholieke godsdienst. Nadien is door Bregje van Ghesel het gebouw verhuurd geweest aan de katholieke kerkmeesters.

Na het overlijden van Bregje van Ghesel op 22-11-1753, worden de goederen door haar erfgenamen verkocht:

Asten Rechterlijk Archief 107b folio 175; 05-05-1754:
Condities en voorwaarden waarop de heerlijkheid Asten wordt verkocht:
De goederen worden betaald in ongestempeld zilvergeld in niet kleiner specie dan sestalven ofte goude rijers te betalen. De betaling zal worden gedaan binnen zes weken na de verkoop, voor schepenen 's Hertogenbosch of voor de Raad en Leenhof van Brabant, te ’s Gravenhage, keuze van de verkoper. Mochten er renten of pachten bevonden worden die hier niet zijn begroot dan zullen deze door de koper worden aangekocht tegen de penning 25 en de losbare volgens de brieven. De roggepachten tegen ƒ 312-10-0 het Bossche mud. Het Roomse Kerkhuis is verhuurd aan de Roomse kerkmeesters voor ƒ 15,- per jaar volgens huurcedulle de dato 20-12-1750 opgemaakt te Asten.

De koper van de schuurkerk is Jacobus Losecaat, drossaard van Asten en de kopers van het merendeel van de goederen zijn Jan van Nievervaart en Cornelis van Hombroek:

Asten Rechterlijk Archief 107b folio 171 verso; 25-09-1754:
Het 1⁄6e deel van de heerlijkheid Asten, dat door Jacobus Losecaat is aangekocht, omvat de secretarie van de Heerlijkheid Asten, de landerijen gelegen te Heusden, allodiaal en het Rooms Kerkehuis, allodiaal. De splitsing kan niet zonder goedkeuring van het Leenhof plaats vinden omdat de secretarie een leen is. Deze wordt nu tot een separaat verheven. Raad van Brabant 's Gravenhage.

Asten Rechterlijk Archief 120 folio 127; 23-11-1754:
Jacobus Losecaat, drost en erfsecretaris, geeft te kennen dat hij voor 1⁄6e deel, op 10-07-1754 voor zichzelf en mede namens Jan van Nievervaart en Cornelis van Hombroek, Heren van Asten voor 5⁄6e deel op 08-07-1754 heeft gekocht van de erven Bregje van Ghesel, weduwe Pieter Valkenier, in leven Heer van Asten:
De heerlijkheid Asten met alle praeminentie en gerechtigdheden alsmede de goederen daaraan dependerende. De koop is gepasseert voor notaris Willem Jan Vos, te Amsterdam de dato 10-07-1754. Op 23-09-1754 is de heerlijkheid voor stadhouder en leenmannen van de souveraine leenhove van Brabant beleent. De kopers waren overeengekomen de gekochte goederen bij wijze van scheiding en deling te verdelen namelijk aan de comparant de secretarie, de landerijen op Heusden en het Roomse Kerkehuis, dog welke laatste twee partijen sijn allodiaal, zoals in de acte van scheiding breder is omschreven.
Het overblijvende deel is verbleeven en aangedeelt aan Jan van Nievervaart en Cornelis van Hombroek, zie scheiding en deling. Omdat het leen moest worden gesplitst is, hetgeen niet zonder consent van het hof gedaan kon worden, is dit, bij request, verzocht. En dat mitsdien de comparant met de voorschreven secretarie als een separaat leenerffelijk mocht worden verleyt en beleent en geadmitteert om het verheff van voor de eerste maal te mogen doen met de ledige hand, zoals dan ook bij de vermelde Raad en Leenhove bij acte de dato 25-09-1754 is toegestaan om het voorschreven leen te splitsen. Comparant geeft procuratie aan Jan Roscam, procureur van het Leenhof van Brabant, te 's Gravenhage, om de secretarie van Asten als een separaat leen te laten verheffen voor dese reys met de ledige handt.

In 1755 bevestigt de Staten-Generaal nogmaals de recognitiegelden van 1730 in het Kerkelyk plakaat-boek, Extract uit het Register der Resolutien van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, betreffende de Recognitie der Roomschgezinden, 25-11-1755[9]:

01f

Omtrent de geschiedenis van dit huis of schuur voor 1672 is vooralsnog niets terug te vinden. Het is vrij waarschijnlijk dat de heren van Brederode en de Merode het in bezit hebben gehad en verpacht hebben aan derden.

Verbouwingen van de schuurkerk

Op 12 november 1759 krijgen de Astense katholieken van de Staten van Holland verlof het gebouw te vernieuwen:

Kwartiersvergaderingen van Stad en Meierij 15; 12-11-1759:
Missive van de stadhouder van kwartier Peelland P. Eckringa op een missive van Jacobus Losacaet drossaard der heerlijkheid Asten gezonden op een rekest van de roomse ingezetenen der hoge heerlijkheid Asten, inhoudende dat hun kerkenhuis aldaar, toebehorende aan Jacob Losecaat drosaard en secretaris aldaar, waarin de supplianten onder coniventie van haar Hooge Mogendheden hun godsdienst kwamen uitoefenen, maar dat hun kerkenhuis dusdanig was vervallen dat continuering van hun godsdienstoefening niet langer verantwoord was omdat men zich dan zou bloot stellen aan de nodige gevaren. Ze verzoeken het huis van Losecaat te mogen overnemen en het vervolgens te mogen repareren en vernieuwen zoals dat aan Tilburg en Goirle is toegestaan. De Raad gaat akkoord met deze overname, reparatie en vernieuwing waarbij onder andere genoemd worden de dorpels van de deuren door er stenen dorpels te leggen, de dakbedekking is aan vernieuwing toe waar pannen op worden gelegd in plaats van stro, de gevels die nu met een klein schild afhangen mogen opgetrokken worden ter versteviging van het gebouw en gemaakt tot twee stenen en wel kreupele gevels waarover het dak gedeeltelijk heen schiet en van binnen te bekleden met hout. Het hout van de glasramen is verrot en men zal daarin ijzer aanbrengen zowel van binnen als van buiten en eventuele verdere reparaties en vernieuwingen.

Dit is ook vastgelegd in een resolutie van de Staten-Generaal in het Kerkelyk Plakaat-boek, Extract uit het Register der Resolutien van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, betreffende de vernieuwing van Roomsche Kerkhuizen, 20-12-1752[9]:

01g

Kort daarna verkoopt drossaard Jacobus Losecaat de schuurkerk aan de Rooms Katholieke gemeente:

Asten Rechterlijk Archief 97 folio 189; 17-12-1759:
Jacobus Losecaat verkoopt aan Hendrik Willem Berkers en Peter van Bussel, als kerkmeesters van de Roomse Gemeente het Kerkehuys in het Dorp, ene zijde en einde de straat of weg, andere zijde en einde de Heer Petrus Aarts. En dat zo en gelijk het zelve bij de Gemeente der Roomse ingezetenen gebruikt wordt.
Betreffende de accordering van dit gebruik, zie register van haare Hooge Mogendheden resolutiën folio 184-185. Verkoper aangekomen bij koop van de heerlijkheid met Jan van Nievervaart en Cornelis van Hombroek voor de Rade en Leenhove van Brabant, te 's Gravenhage de dato 23-09-1754 en scheiding en deling voor dezelfde Raad de dato 25-09-1754. Koopsom ƒ 900,-.

Asten Rechterlijk Archief 164 folio 5 verso 31-05-1760 en folio 12 verso 01-08-1760:
De Roomse Kerkschuur, te Asten 13 roede, oost en zuid de straten, west en noord. de erven van Petrus Aarts. Opgemaakt door Petrus Aarts, Rooms pastoor, Hendrik Berkers, kerkmeester, Peter van Bussel, kerkmeesters. De waarde van de Kerkschuur bedraagt ƒ 900,-.

In 1774 komt ook de naastgelegen pastorie in handen van de Rooms Katholieke gemeente:

Asten Rechterlijk Archief 99 folio 264; 21-02-1774:
Petrus Aarts, pastoor, verkoopt aan Peter van Bussel en Jan Berkers, als kerkmeesters van de Roomsche Gemeente huis, stal, hof en boomgaard aan het Roomsche Kerkehuys 2 lopense, ene zijde de pad, andere zijde Antoni Timmermans, ene einde Margo Smits andere einde de Kerk en de weg. Koopsom ƒ 1300,-. De koop wordt gedaan, na request van de kerkmeesters en toestemming bij Hare Hooge Mogendheden folio 25 verso resolutie de dato 18-11-1773. De woning blijft dienen als woonplaats van de verkoper. Verkoper aangekomen bij transport de dato 24-03-1749.
Taxatie van het huis en hof van Heer Petrus Aarts, waarde huis, stal, hof en boomgaard gelegen aan het Kerkehuys 2 lopense ƒ 1300,-.

Jacobus Losecaat stuurt een bericht welke timmerman de reparaties aan de kerkschuur en de pastorie verrichtte:

Resoluties Staten Generaal, inventarisnummer 113, folio 495, 04-08-1775:
Missive van Jacobus Losecaat drossaard van de heerlijkheid Asten in kwartier Peelland inhoudende dat het de Hooge Mogendheden behaagd had bij resolutie van 18 november 1773 aan de kerkmeesters van de roomse gemeente te permitteren om enige reparaties uit te voeren aan de roomse kerkschuur en om te mogen kopen een huis dat naast de kerkschuur staat competerende aan de huidige roomse pastoor Petrus Aarts met de nodige details over de realisering ervan en ter voorbereiding was W. Hubert gereformeerd timmerman en aannemer uit ’s-Hertogenbosch aangetrokken; een kopie wordt doorgestuurd naar de Haagse heren belast met de Meierijse zaken.

Gerard Rooijakkers meldt in zijn boek rituele repertoires in Noord Brabant[4] over een verdere versoepeling voor de maatregelen tegen de katholieken:

Tussen 1780 en 1795 zien we een versoepeling van de maatregelen, overtredingen leidden toen slechts incidenteel tot conflicten. In de Memorie van bezwaren, die de bewoners van de stad en Meierij van 's Hertogenbosch op uitnodiging van de Raad van State in 1786 opstelden, uitte men nadrukkelijk zijn ongenoegen over de recognitiegelden. In de jaren nadien volgden de nodige verlichtingen die werden gemotiveerd door het vreedzame gedrag van de katholieken, die zich goede onderdanen betoonden. In 1789 vaardigde de overheid zelfs een plakkaat uit dat nadrukkelijk wees op de mogelijkheid om ook katholieken in openbare ambten aan te stellen In deze periode zien we, vooral bij de schepenbanken, een forse toename van het aantal katholieken, hoewel de belangrijkste ambten tot de komst van de Fransen in handen bleven van een nagenoeg gesloten kaste van protestanten, die vanwege gebrek aan kandidaten vaak meerdere functies waarnamen om het ideaal van de politieke reformatie nog enigszins gestalte te geven.

De versoepeling van de regels wordt duidelijk aan de hand van onderstaande Resolutie van de Staten Generaal in het Kerkelyk Plakaat-boek van 08-01-1787[6]:

01h

Toch zijn er nog altijd spanningen tussen de verschillende religies en een aantal adellijke dames, logerende op het kasteel van Asten, worden vanwege hun gereformeerde religie beschimpt in Someren:

Asten Rechterlijk Archief 126 folio 242; 11-01-1790:
Mejuffouw Sophia Wegener, geboren Sprenger, Geertruy Lambrecht en Johanna van Schagen logerende op het kasteel en in dienst zijnde van Baron Terck, vrijheer van Rosendaal. De twee eerste comparantes, zijnde van de waare Christelijke Gereformeerde Relegie en de derde comparante van het Rooms geloof. Zij verklaren ter instantie van Jan Willem van Nouhuys, stadhouder van de kwartierschout van Peelland dat zij, op 25-12-1789, zijn geweest te Someren en dat zij begerig waren om de Rooms Katholieke Kerk te zien. Ze zijn daar naar binnen gegaan terwijl het lof aan de gang was. De twee eerste comparantes hebben vooraan in de kerk gestaan en de derde comparante heeft op haar knieën gelegen. Dat na afloop van de dienst veel van het volk tegens hen seyden: "Siet die staken eens staan" en anderen hen voorbij gaande hard tegens het lijff drongen. Buiten gekomen zijnde, zijn ze door een grote partij volks uitgescholden en bedreigd, gegooid met koolstronken, slijk en aarde. Een manspersoon heeft hen ontzet waardoor zij heen hebben kunnen gaan nog wel door een groote hoop volks agter na gegaan.

In 1790 worden de goederen van de Rooms Katholieke kerk opnieuw getaxeerd en is de waarde van de kerkschuur door de verbouwing aanmerkelijk toegenomen, terwijl die van de pastorie is afgenomen:

Asten Rechterlijk Archief 165 folio 111 verso; 04-11-1790:
Taxatie van de onroerende goederen die competeren aan de Roomse Kerk, dit ingevolge resolutie van de Raad van Staten de dato 24-06-1793. Waarde van de Kerkschuur 13 roeden ƒ 1400,-, ene zijde en einde de straat, andere zijde het volgende perceel; huis, stal en hof 2 lopense ƒ 1000,-, ene zijde de voetpad, andere zijde Anthony Timmermans, ene einde de straat, andere einde Pieter Troeien. Totaal ƒ 2400,-

In 1794 vallen de Fransen de Republiek binnen, met grote gevolgen voor de katholieken en we citeren uit het boek rituele repertoires in Noord Brabant geschreven door Gerard Rooijakkers[4]:

Het einde van het Ancien Régime werd, na een kort Frans intermezzo in 1793, definitief ingeluid door de intocht van de Franse legerleider Pichegru, die in oktober 1794 Staats-Brabant bezette en maatregelen nam om dit landschap tot een zelfstandig gewest te organiseren In juni 1795, toen de Fransen zich uit Brabant hadden teruggetrokken, kwam op initiatief van Pieter Vreede in Tilburg een gezelschap bijeen dat zich constitueerde als de vergadering van Gedeputeerden Provisioneel van het Volk van Bataafsch Braband. In december van dat jaar werd deze vergadering vervangen door een permanente 'de Representanten van het Volk van Bataafsch Braband’ en werd het gebied uiteindelijk een zelfstandig gewest met zitting in de Statcn Generaal.
Aan de tweederangspositie van de katholieken was een einde gekomen. Bedroeg het aandeel van de protestanten in de schepencolleges omstreeks 1780 nog zo’n 50%, in 1795 kwamen in veel plaatsen katholieken op de kussens en daalde het gereformeerde aandeel tot slechts circa 6%. Opvallend is dat na verkiezingen in Staats-Brabant het aantal katholieken dat zitting nam in dorps- en stadsbesturen overal verschilde. Het kan te maken hebben met hoe onderdrukt de katholieke bevolking zich voelde door het eerdere bestuur, of een verschil zijn tussen het platteland en de stad. In Boxtel bijvoorbeeld was het nieuwe bestuur geheel katholiek, terwijl er in Asten niet zo veel veranderde.
Volgens de grondwet van 1798 werd de Bataafsche Republiek (1795-1806) in acht departementen verdeeld, waarbij met de oude grenzen geen rekening werd gehouden en zo werd het Departement van de Dommel gecreëerd. Toen in 1801 de oude provinciale grenzen hersteld werden, ontstond het Departement Bataafsch Braband, dat al het oude land van Staats-Brabant omvatte. In 1805 werden de grenzen opnieuw vastgesteld, samen met een brede strook van Holland ontstond nu het Departement Braband. In september van dat jaar werd het Departement Braband vergroot met de door de Fransen in 1795 bezette en in 1800 aan de Republiek gecedeerde landen van Ravenstein, Megen, Boxmeer, Gemert en Bokhoven. Luyksgestel, dat als deel van het graafschap Loon tot het prinsbisdom Luik behoorde, werd in 1807 ten tijde van het Koninkrijk Holland (1806-1813) geruild tegen het dorp Lommei, om een meer gelijkmatige grens te krijgen.

De regering bestond destijds uit de zogenaamde Nationale Vergadering en begon in 1797 als wetgevend orgaan en we lezen het volgende bij de Wetgevende colleges[10]:

Zodra de tweede Nationale Vergadering in september 1797 haar werkzaamheden aanving, werd in het land door aanhangers van de gereformeerde godsdienst een opmerkelijke actie ontketend. Deze was erop gericht om door middel van het massaal doen ondertekenen van verzoekschriften te voorkomen dat in een nieuw grondwetsontwerp opnieuw bepalingen zouden worden opgenomen die nadelig zouden zijn voor de uitoefening van de godsdienst der gereformeerden en voor het onderhoud van hun kerken. Er waren verschillende (voorgedrukte) versies van de rekesten in omloop, die varieerden van een onderdanig smeken tot een zelfbewust eisen.

Zo tracht Predikant Casparus Janssen in 1798 nog om de kerk voor de geformeerden te behouden, zoals onderstaande stukken uit Besluiten der Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen volks, deel 6 en deel 8 van 1798[11][12]:

01i
01j

Dit had ook een tegenactie tot gevolg, waardoor er een stroom van requesten op gang kwam en waar het volgende mee gebeurde volgens Wetgevende colleges[10]:

De aanhangers van andere, eeuwenlang achtergestelde godsdiensten lieten zich niet onbetuigd en dienden, zij het in veel mindere mate, antidotale rekesten in. Of de massa rekesten overigens invloed heeft gehad op het werk van de Tweede Constitutiecommissie is zeer de vraag. Op 26 januari 1798, dus vier dagen na de staatsgreep, hield de Constituerende Vergadering zich bezig met de vraag wat te doen met de vele verzoekschriften. Bij hoofdelijke stemming werd besloten de rekesten niet bij de beraadslagingen te betrekken, maar ze in een kist, kast, kas of mand op te bergen.

Bij de Staatsregeling van 1798 werd de mogelijkheid geopend dat de kerk zou worden teruggegeven aan de katholieke gemeenschap, zo die als grootste geloofsgemeenschap in het dorp het gebouw zou opeisen. In 1798 krijgen de katholieken dus hun parochiekerk weer in handen en is de schuurkerk niet meer nodig voor de geloofsuitoefening.

Pastoors ten tijde van de schuurkerk

Op basis van het boek Geschiedenis van het Bisdom 's Hertogenbosch van 1872[13] en het boek 'Aasten mi z'n groten toren' van Henk Berkers en Harry Verdijsseldonck ter ere van het 100-jarige bestaan van de Heilige Maria Presentatiekerk te Asten, is een reconstructie van de pastoors van Asten gemaakt en aangevuld met rechterlijke archiefstukken en krantenartikelen. Tot 1648 gebruikten de pastoors de oude kerk, van 1648 tot 1798 maakten ze gebruik van een schuurkerk, van 1798 tot 1898 weer de oude kerk en vanaf 1898 de nieuwe kerk. Hieronder een overzicht van de pastoors van Asten over de periode 1274 tot 1980:

Periode Pastoor Geboorteplaats en datum Overlijdensplaats en datum Locatie
1274-1301 Gerardus van Binderen 18-11-1301 Oude kerk; G589
1301-1306 Henricus van Yssenhout 19-10-1326
1306-1360 Joannes
1360-1389 Arnoldus
1389-1400 Yewannus
1400-1411 Gerardus Darys
1411-1427 Willem van Hersel
1427-1464 Johannes Godefridus van Asten
1436-1450 Godefridus Dicbier 31-12-1450
1451-1459 Joannes van Hoijbergen 21-12-1481
1459-1487 Thomas van Atrecht
1487-1496 Godefridus Jans van Asten
1497-1499 Simon Sampeyn
1499-1510 Petrus Sachet
1510-1536 Martinus Boem
1536-1541 Franciscus Bane
1541-1553 Nicolaas Damant
1553-1562 Petrus Damant
1547-1567 Henricus van Bree ±1567
1567-1570 Petrus van den Eijnde
1570-1581 Theodericus Joannes de Ruth ±1581
1581-1591 Franciscus de Ruth ±1591
1591-1592 Gerardus Borkers
1592-1595 Theodericus de Zeilbergh
1595-1597 Jacobus Barleus de Roy
1597-1631 Thomas Stricken Asten 14-12-1631
1631-1632 Joannes Loonen
1632-1635 Henricus Vervoordeldonck
1635-1636 Franciscus Verdonschot
1636-1637 Hubertus Neefs Antwerpen ±1600 ±1668
1637-1648 Joannes Timmermans ±1657
1648-1657 Schuilkerk in Weert
1657-1672 Henricus van de Cruys Oisterwijk ±1620 Asten 13-02-1675
1672-1675 Schuurkerk; G463
1675-1704 Joannes van de Cruys Asten ±1624 Asten 16-01-1704
1704-1743 Franciscus van de Cruys Asten 24-03-1674 Asten 28-01-1743
1745-1748 Johannes Beckers Megen 14-03-1675 Budel 26-10-1748
1748-1789 Petrus Aerts Bladel 02-06-1716 Asten 31-12-1789
1790-1798 Wilhelmus van Asten Lierop 11-05-1744 Asten 20-05-1819
1798-1819 Oude kerk; G589
1819-1863 Bartholomeus Kemps Leende 02-04-1787 Asten 12-05-1863
1863-1893 Lambertus Johannes van de Mortel Eindhoven 05-05-1817 Asten 25-06-1893
1893-1898 Johannes Wilhelmus Smits Gemert 17-09-1843 Asten 20-02-1905
1898-1905 Nieuwe kerk; G1856
1905-1927 Bartholomeus Theodorus Moussault Alkmaar 10-04-1861 Asten 07-07-1927
1927-1944 Henricus Wilhelmus Meijer Nijmegen 30-08-1878 Asten 06-10-1944
1944-1960 Theodorus Johannes Andreas van Hout Eindhoven 27-12-1901 Asten 14-12-1980

Joannes Timmermans, 1648-1657

Joannes Timmermans was als kannunik van Boxtel van 1630-1632 pastoor van Gemonde, waarbij hij ook het Sint Antoniusaltaar van Maren bediende. Hij verzocht bisschop Ophovius al in 1630 om pastoor te mogen worden in Son, maar werd dat pas in 1632. Joannes Timmermans wordt niet genoemd in het archief van het bisdom van 's Hertogenbosch, maar op basis van onderstaande archiefstukken is hij enige tijd pastoor in Asten geweest:

Asten Rechterlijk Archief 33-52; 17-02-1638:
Aandracht van Pauwels Colen contra Jan Jacobs. Getuigenverhoor onder eede van Jan Jan de Snijer, 40 jaar en Jenneke Cocx, 67 jaar.
Te vragen of het niet waar is dat, na het afbranden van aanleggers huis, besmet met de pest, Margriet toen, in nood van sterven haar kerkelijke rechten ontvangen heeft en voor de pastoor gedisponeerd heeft de reparatie en vergoeding van de geleden schade door de brand. En dat jullie, met twee andere, die nu overleden zijn, daarvan op 26-08-1636 getuige zijn geweest. Dat de pastoor, Margriets wil en begeerte in presentie van haar, voor U met luide stem opriep en voorlas. Welke wil of acte jullie, ook besmet zijnde met de pest, toen niet hebt kunnen of mogen tekenen?
Jan Jan de Snijer verklaart het eens te zijn met de aandracht en daarbij te persisteren. Hij voegt er aan toe, dat Margriet hem ook nog gevraagd heeft wat hij wilde hebben voor de aan hem toegebrachte schade. Waarop hij heeft geantwoord dat zij elkaar nog wel eens zouden spreken als zij weer gezond was. En dat Margriet groot leetwesen en misbaer thoonde, well drye off vier continuelijck daegen lanck.
Jenneke Cocx weet zeer goed dat de pastoor, in de ziekte van Marie van Bussel, bij haar huis is geweest om een testament te schrijven. Zij weet ook dat de pastoor haar yet wilde zeggen, maar dat zij quaelijck horende niet heeft kunnen verstaan. Ook heeft zij niets begrepen van wat in de aendracht staat.

Asten Rechterlijk Archief 75 folio 138 verso; 30-06-1641:
Tussen Meester Mathijs van den Hove, schout, en Anthonis Canters, president, is verschil gerezen terzake van woorden door de schout tegen Anthonis betreffende beschrijfbrieven en executies door soldaten van de rentmeester der Geestelijke goederen, Peter Schuyl, gedaan aan Bonaventura van den Hove, broeder van de schout. Jan Timmermans, pastoor te Asten, bemiddeld. Het verschil is ontstaan ten huize van Goyaert Michielssen te Helmont.

Asten Rechterlijk Archief 75 folio 208; 11-02-1643:
Willem Joost Goris verkoopt aan Heer Joannes Timmermans, pastoor te Asten en Goyaert Peter Bruystens, secretaris te Vlierden, als collecteurs van een beurs, gesticht door wijlen Heer Hendrick van der Weyden, in leven pastoor op de Grote Begijnhoff, te 's Hertogenbosch en ten behoeve van deze beurs een cijns van ƒ 425,- à 5%. Onderpand een hooibeemd te Astappen 3 lopense, gekomen van de schout en jaarlijks rijdende tegen de andere geerfden in dezelfde beemd; hooibeemd in de Spleet te Astappen tussen de Aa's; land 2 lopense naast Anthonis Canters, uitschietende op de 1e bempt; huis, hof, schuur, schop te Astappen.

Asten Rechterlijk Archief 146; 16-11-1651:
Rekening, bewijs en reliqua gedaan door Michiel Jacops van de Cruys, Willem Joosten en Wilbort Daendels als momboiren van Goortien, onmondige zoon van wijlen Peter Peters van Haubraken alias Peter Peter Poelmans. Jan Tymmermans, pastoor, te Asten, heeft namens Goyaert Peter Poelmans betaling gehad van 2½ cop + ¼e cop en alnog van ½vat rogge per jaar over 1642 tot en met 1645.

In het Katholyk Meyerysch Memorieboek van 1819[14] lezen we dat de katholieken van Asten na de vrede van Munster in 1648 hun kerk aan de gereformeerden kwijtraakten (zie Voormalige kerk, G589). De katholieken van Asten hadden samen met die van Someren hun Kerkschuur op de grond van Oostenrijks Gelderland onder Weert. Bij deze kerkschuur werd een hut of kleine herberg opgericht, die in 1819 nog aanwezig was.

Joannes Timmermans is rond 1657 overleden.

Henricus van de Cruys, 1657-1675

Henricus van de Cruys, ook bekend als Henricus van Gorcum, is geboren te Oisterwijk rond 1620. In de tijd dat hij pastoor was konden inboorlingen in die vervolgingstijd de grootste diensten bewijzen. Henricus van de Cruijs noemt zich volgens het kerkarchief van Asten in januari 1675 vice-decanus, plaatsvervangend deken, van het district Helmond. In het archief weet Franske Jansen nog dat Henricus van de Cruys dankzij een studiebeurs van haar familie voor priester heeft kunnen studeren:

Asten Rechterlijk Archief 113 folio 124 verso; 23-09-1713:
Franske Jansen, getrouwd met Jan Hickxpors, schepen, 72 jaar, verklaart ter instantie van Hendrick Tho Poel, als schoonvader van Jan Spoorenberg verwekt bij Elske van de Cruys, dat het haar zeer wel kennelijck is dat haer ouders zaliger geboortigh en woonagtigh geweest binnen den dorpe van Lierop, wesende haren vader, Jan Hermens en hare moeder, Heylke van den Eynden. Dat haar moeder een van de naaste bloedvrienden van de Heer Cannonick van den Eynden is geweest en dat uit dien hoofde, haar neef Andries Janssen van den Eynden, gerechtigd is geweest tot een beurs of benificia door de Heer Cannonick van den Eynden gesticht. Zij, deponente, weet ook dat de Heeren Hendrick van de Cruys en Johannes van de Cruys, in hun leven pastoors te Asten als bloedverwanten van Heer Cannonick van den Eynden de beurs hebben getrokken. Zoals laatstelijk ook nog Antony van de Cruys, lector, te Mechelen, als bloedverwant, deze beurs heeft getrokken.

Henricus van de Cruys is te Asten op 13-02-1675 overleden en hieronder zijn begraafakte:

01

Joannes van de Cruys, 1675-1704

Joannes van de Cruys is geboren te Asten rond 1624 als zoon van Michiel Jacobs van de Cruys en Yken Canters. In 1697 melden de kerkmeesters dat het onderhoud van de muur om het kerkhof niet op kosten van de gemeente Asten komt:

Asten Rechterlijk Archief 110 folio 108; 14-06-1697:
Wij, Marcellus Martens en Jan Dircx, kerkmeesters, verklaren ter instantie van de regeerders van Geldorp dat de chingel ofte muyr die welcke om den kerckhof van Asten leyt, van oude tijden herwaerts is onderhouden ende gerepareert ende noch daegelijcx onderhouden ende gerepareert wort bij de kerckmeesters der parochiekercke van Asten. En niet ten laste van de gemeente Asten komt.

Het doopregister van Someren vermeldt op 14 maart 1695 abusievelijk Joannes van Eijnde als pastoor van Asten. In het archief van Asten worden na zijn overlijden zijn goederen verdeeld:

Asten Rechterlijk Archief 10 folio 156 verso; 07-03-1704:
Maria van de Cruys, Franciscus van de Cruys, Hendrick Tho poell getrouwd met Elske van de Cruys, Jan van Rooy, getrouwd met Goverdyn van de Cruys, Christina van de Cruys, Antony, zoon van Antony van de Cruys absent zijnde voor deze Hendrick Tho poell, Hendrick Canters en Hendrick Knippenbergh als geëde momboiren van de zes onmondige kinderen van wijlen Jacob van de Cruys en Agnes Knippenbergh, Johan, ook zoon van Jacob van de Cruys en Margaretha Swinckels in eerste huwelijk, Hendrick Horckmans, Frans Hoefnagel getrouwd met Sophia Horckmans, Catarina Horckmans, weduwe Bastiaen Verhoeven, alle drie kinderen van wijlen Cornelis Horckmans en Josina van de Cruys. Allen nichten en neven van wijlen de Heer Johan van de Cruys, zijnde de naaste erfgenamen. Zij delen diens nagelaten goederen ƒ 2860,- en huis en hof, in zijn heggen, waar Johan van de Cruys is overleden.

Joannes van de Cruys is op 16-01-1704 te Asten overleden en hieronder zijn begraafakte:

02

Franciscus van de Cruijs, 1704-1743

Franciscus van de Cruijs is geboren te Asten 24-03-1674 als zoon van Anton Michiel Jacobs van de Cruys en Marie Aert Fransen Verryt. In drie artikelen in de krant de Zuid-Willemsvaart van 17-01-1907, 02-02-1907 en 16-02-1907 verhaalt Piet Hamilton over een voorval rond 1730 tussen de protestantse schepenen en pastoor Franciscus van de Cruys:

03

04

05

Ook in het rechterlijk archief van Asten komen we bovenstaand verhaal tegen en zoals hieronder is te zien nog meer problemen met geld:

Asten Rechterlijk Archief 117 folio 12; 24-09-1732:
Marten Marten Andriessen, oud collecteur de Gemene Middelen, verklaart ter instantie van Jan van Hooff en Jan Verhoysen, Peter van de Vorst en Bendert Vervordeldonck dat hij, deponent, door Francis van de Cruys, Roomsch Katholiek pastoor, te Asten, is aangesteld geweest tot kerkmeester en dat hij vijf of zes jaren de collecte heeft helpen doen in het Rooms kerkhuis. Hij is daarna door de pastoor afgezet, zonder dat hem ooit om een rekening is gevraagd. Veel minder heeft hij rekening gedaan, dit omdat hij nooit geld onder zich heeft gehad, doch dit meteen na de collecte afdroeg. Zonder ooit geweten te hebben hoeveel off hoeweenich dit jaarlijks beliep.

Franciscus van de Cruys had ook nog bezit in Vlierden:

Franciscus van de Cruys erfde een huis en aangelag, land en groes op de Beersdonck te Vlierden, alles voor 3⁄4e deel. Het andere 1⁄4e deel behoorde toe aan Elisabet weduwe Hendrick Bogaerts. Antonis Jan Peters was de gebruiker. Op 5 februari 1732 verkocht Franciscus van de Cruys deze boerderij aan Jan, zoon van Jan van Bree. Het betreft een huis, schuur en aangelag, gelegen op de Beersdonck, groot 10 lopense, ene zijde Jan Mooren, andere zijde Jan Tonis, ene einde de gemene gronden, andere einde de Aa.

Bij zijn overlijden vaceerde het vicariaat van 's-Hertogenbosch en de kapelaan van Asten was weldra zijnen pastoor in het graf gevolgd, waarom het deservitorschap tot 1745 door de kapelaan van Deurne is waargenomen, waartoe volgens Coppens een bijzondere toelating der Staten vereist werd. Franciscus van de Cruijs is te Asten op 28-01-1743 overleden en hieronder zijn begraafakte:

06

Franciscus van de Cruys had geen testament opgesteld en zijn erfenis moet worden verdeeld:

Asten Rechterlijk Archief 15 folio 152; 01-02-1743:
Gezien het request van Arnoldus Tho Poel, schepen, te Venroy, dat, op 28-01-1743, is overleden de Heer Francis van de Cruys, pastoor, te Asten, zonder testament na te laten. Door dit overlijden is de Heer Antoni Tho Poel, zoon van Hendrik Tho Poel en Elske van de Cruys, zijnde suppliants halve broeder, voor ¼e deel erfgenaam geworden van Franciscus van de Cruys. Omdat Anthoni Tho Poel sedert enige jaren zijn zinnen niet machtig is, doch innocent, zodanig dat hij telkens in stilte is zwervende, reizende en weglopende zonder dat men weet waar hij zich bevindt. Omdat de Costuymen van 's Hertogenbosch titel 16 artikel 20 statueren dat vader en moeder aflijvig worden, nalatende sotte offte uytsinnige kinderen, de vrienden schuldig sijn hetselve aan de wet te kennen te geven. Titel 17 artikelen 2 en 13 zeggen nog dat die kinderen moeten zijn en blijven voorzien van een momboir. Vanwege de grote erfenis die gade geslagen en geadministreerd moet worden stelt suppliant voor om tot momboiren aan te stellen Michiel van de Cruys, president schepen, alhier en Jan Verhoysen.

Johannes Beckers, 1745-1748

Het is te betreuren dat het rijk archief van ons bisdom na Ophovius een grote leemte openlaat. In het archief van Asten vinden we wel een aanwijzing van Johannes Beckers als pastoor van Asten:

Asten Rechterlijk Archief 30 folio 40 verso; 12-06-1747:
Verhoor van Maria Jan Paulus, weduwe Jan Peter Smits, Johanna Smits, weduwe Paulus Hoefnagels, Marten Hendriks en Josyn Hendriks. Maria Jan Paulus en Johanna Smits verklaren dat hen niet bekend is of hebben horen zeggen dat de Rooms pastoor, Johannes Berkers, in 1747 gezegd heeft dat hij voor Nieuwjaar eerstkomende op de Pastorie, waar nu predikant Albers woont, zou wonen. Marten Hendriks heeft het voorverhaalde nooit tegen de Heer Cotshausen gezegd. Josyn Hendriks heeft het nooit tegen Gabriel van Swanenberg gezegd. Maria Jan Paulus en Johanna Smits verklaren onder presentatie van eede. Marten Hendriks en Josyn Hendriks verklaren onder aflegging van eede.

Johannes Beckers is op 26-10-1748 te Budel overleden en hieronder zijn begraafakte:

07

Wel lezen we in het archief van de Raad van State dat Petrus Aerts als opvolger van Johannes Beckers is benoemd:

Resoluties Raad van State 1703-1748, folio 485; 18-11-1748:
Rekest van Petrus Aerts kapelaan te Leende in kwartier Peelland die zijn zending heeft ontvangen als pastoor te Asten in plaats en vanwege het overlijden van Johannes Beckers, die om een akte van admissie verzoekt en aangezien hij voldoet aan de eisen gesteld in de resolutie van 19-07-1730 wordt hem die admissie verleend mits hij de verklaring ondertekent die in een speciaal register ter secretarie van de raad wordt bewaard.

Petrus Aerts, 1748-1789

Petrus Aerts is geboren op 02-06-1716 te Bladel als zoon van Reijnerus Aerts en Anna Jan Cuijlen. Hij was in 1741 kapelaan te Leende en in 1748 pastoor van Asten. Volgens het archief van Asten koopt hij in 1749 een huis:

Asten Rechterlijk Archief 96 folio 234 verso; 24-03-1749:
Michiel van de Cruys verkoopt aan Peter Aarts, pastoor huis en hof met een akker daaraan in het Dorp 2 lopense, ene zijde de pad, andere zijde Jan Jan Paulus, ene einde de weg, andere einde Jan Jan Smits. Koopsom ƒ 450,-.

De zus van pastoor Petrus Aaerts schenkt hem een obligatie en woont bij hem in:

Asten Rechterlijk Archief 96 folio 254 verso; 12-06-1752:
Het Corpus van Asten is schuldig aan Maria Aarts weduwe Theodorus Loyens ƒ 200,- à 2½% om daarmede af te lossen aan Gijsbert de Louwere, te Sint Oedenrode obligatie de dato 29-03-1712 nummer 43. Marge 19-03-1772 gelost aan Petrus Aarts, pastoor.

Asten Rechterlijk Archief 120 folio 81 verso; 23-11-1752:
Maria Reynier Aarts weduwe Theodorus Loyens, in leven president schepen, te Liemde wonende ten huize van de Heer Petrus Aarts, Rooms pastoor, alhier, testeert.
Alle voorgaande makingen vervallen. Haar enige erfgenaam wordt Dorotea, haar dochter. Indien deze komt te overlijden zonder kind(eren) na te laten dan wordt voornoemde Petrus Aarts, Catarina Aarts weduwe Jan Helseman, te Bladel, als broeder en zuster alsmede Jan Monen getrouwd met Johanna Aarts, ook haar zuster, te Gestel, haar erfgenamen ieder voor 1⁄3e deel. Uitgezonderd wordt het leengoet hetwelk geerft zal worden de leenrechten ten waare haar testatrices voornoemde dogter daarover mogte kome te disponeeren. Testatrice verklaart nog dat bij testament met wijlen haar man de dato 06-04-1749, te Liemde, door hem voorgesteld is Petrus Aarts en Jan Monen te benoemen als voogden over hun toen nog minderjarige dochter. Zij krijgen bij deze alle volmachten om haar, testatrices, goederen na haar overlijden ten bate van haar dochter te aanvaarden. De voogdij zal duren tot haar dochter de mondige leeftijd zal hebben bereikt of tot huwelijk is gekomen.

Pastoor Petrus Aerts koopt een heiveld bij de molen:

Asten Rechterlijk Archief 97 folio 43 verso; 09-05-1754:
Jacobus van de Cruys verkoopt aan Petrus Aarts, pastoor heiveld het Meule eeusel, 3 lopense, Zijnde dit gedeelte achter in het veld aan de erven van Baron van Leefdaal en strekkende tot in het zelfde veld dat afgestoken is. Verponding ƒ 0-5-0 per jaar. Koopsom ƒ 17-10-0.

Petrus Aerts bewoont het huis naast de kerkschuur, die hier wordt getaxeerd:

Asten Rechterlijk Archief 121 folio 133; 29-04-1760:
Schepenen van Asten verklaren ter instantie van de Heer Petrus Aarts, Rooms pastoor, alhier, dat deze eigenaar is van een huis en hof, naast het Kerkehuis. Welk huis deze tot zijn comoditeyt heeft vernieuwd en bij hem in bewoning en gebruik is.
De Roomse Kerkschuur, te Asten, 13 roede, Oost en Zuid de straten, West en Noord de erven van Petrus Aarts. De waarde van de Kerkschuur bedraagt ƒ 900,-. Opgemaakt door Petrus Aarts, Rooms pastoor, Hendrik Berkers en Peter van Bussel, kerkmeesters.

Pastoor Petrus Aerts moet als getuige optreden bij een erfenis:

Asten Rechterlijk Archief 33-52; 31-10-1767:
Jan Meulendijks getrouwd met Catharina Frans Lambers mede voor de onmondige kinderen van Joost Kuypers getrouwd geweest met Maria Frans Lambers, Johanna weduwe Martinus Frans Lambers als moeder van hun onmondige kinderen, Jan Metten getrouwd met Maria Coninks mede voor Frans en Catharina Coninks kinderen van Johanna Frans Lambers en Francis Coninks. Allen erfgenamen en ab intestato representanten van wijlen Lijneke Frans Lambers aanleggers contra Hendrik Coopmans, gedaagde. Aanleggers zeggen:
Dat gedaagde aan Heer Petrus Aarts, Rooms Pastor, alhier, in de ziekte van Lijneke Frans Lambers heeft beleden dat hij voor vuur, licht, woning, enzovoorts van haar te pretenderen had tien ducaten. Dat Lijneke doodelijk ziek zijnde aan Heer Ludovicus van de Mortel, Rooms Cappelaan, alhier, de obligatie van ƒ 150,- heeft vertoond en gedeclareerd. Dat er een accoord gemaakt was tussen Lijneke en gedaagde op ƒ 40,-. Dat gedaagde na doode en overlijden van voorschreven Lijneke Frans Lambers, zijn datestabele baatzugt tragtende te coloreeren aan voornoemde Heer Pastoor heeft voorgebragt. Aanleggers wijzen het verweer van gedaagde af als zijnde, ongegrond, inpertinent, copieus en irrelevant.
Volgt nog een verklaring van Petrus Aarts, Rooms Pastor en Ludovicus van de Mortel, Rooms Cappellaan voor schepenen van Asten ter instantie van de erfgenamen.
Petrus Aarts, pastoor en Ludovicus van de Mortel, cappellaan, te Asten verklaren ter requisitie van de erfgenamen van wijlen Lijneke Frans Lambers, dat hij, eerste comparant, enige tijd geleden, toen Lijneke Frans Lambers ziek was door Johanna Frans Lambers, de nicht van Lijneke is geroepen om eens, ten huize van Hendrik Coopmans, bij Lijneke voorschreven te komen. Dat toen hij daar was Lijneke tegen hem gezegd heeft dat Hendrik Coopmans een pretentie ten laste van haar maakte wegens, vuur, licht, woning enzovoorts. Dat Hendrik Coopmans een en ander bevestigde en zei dat hij tien ducaten pretendeerde. Hij, comparant, heeft hem aangeraden te accorderen en is vertrokken. Vervolgens is Hendrik Coopmans, enige tijd nadat Lijneke was overleden, gekomen bij hem, eerste comparant, zeggende dat Lijneke Frans Lambers, de obligatie die zij ten laste van hem, Hendrik Coopmans, had, aan hem gemaakt had om daarmee de kosten van de uitvaart en verdere begeerten te voldoen. Waarop hij, eerste comparant, tegen Hendrik Coopmans heeft gezegd: "Dat zijn Uw affairens niet, gij zijt geen erfgenaam en geeft die obligatie aan de erfgenamen die dese toekomt" en verder dat hij, Hendrik Coopmans, maar vertrekken kon. De tweede comparant verklaart dat hij ten tijde dat Lijneke Frans Lambers geheel doodelijk ziek was ten huize van Hendrik Coopmans bij haar is gekomen en dat Lijneke hem de obligatie van ƒ 150,- en die ten laste van Hendrik Coopmans was, heeft laten zien zeggende: "Die veertig guldens wilde hij, Hendrik Coopmans, daaraf hebben maar het is nu gedaan, ik ben met hem geaccordeert".

Petrus Aaerts verkoopt zijn huis, maar het blijft wel bij hem in bewoning:

Asten Rechterlijk Archief 99 folio 264; 21-02-1774:
Petrus Aarts, pastoor, verkoopt aan Peter van Bussel en Jan Berkers, als kerkmeesters van de Roomsche Gemeente huis, stal, hof etcetera aan het Roomsche Kerkehuys 2 lopense, ene zijde de voetpad, andere zijde Antoni Timmermans, ene einde Margo Smits, andere einde de Kerk en de weg. Taxatie van het huis en hof van Heer Petrus Aarts. Waarde huis, stal, hof en boomgaard gelegen aan het Kerkehuys 2 lopense ƒ 1300,-. Koopsom ƒ 1300,-. De koop wordt gedaan, na request van de kerkmeesters en toestemming bij Hare Hoge Mogendheden resolutie de dato 18-11-1773. De woning blijft dienen als woonplaats van de verkoper. Verkoper aangekomen bij transport de dato 24-03-1749.

Aan pastoor Petrus Aerts wordt de vraag gesteld hoe de achternamen in het doopregister worden vermeld. Hij antwoordt dat het in die gebruikelijk was om alleen de namen van het kind, diens vader en soms van diens grootvader te noemen:

Asten Rechterlijk Archief 124 folio 66; 27-05-1775:
Petrus Aarts, Rooms pastoor, te Asten, verklaart ter instantie van Peter Andries Janse van Bussel en Willem van Deursen getrouwd met Anna Maria Bosbremers, dochter van wijlen Jenneke van Bussel en Jacobus Bosbremers, te Helmond. Dat hij de doopregisters heeft onderzocht en bevonden dat aan de dopelingen in vroeger tijden merendeels geen toe- of bijnamen tijdens de doop werden toegevoegd. Maar dat in plaats daarvan aan de dopelingen alleen de voornaam van hun vader of vader en grootvader zijn en werden gegeven. En dat van de toe- of bijnamen van de laatstgemelde opzichtelijk tot den doop van hun kinderen of kleinkinderen doorgaans geen mentie in de voorschreven doopregisters is gemaakt. De bijnaam van Bussel is volgens de vroegere gewoonte achter- of daargelaten.

Petrus Aerts verkoopt aan Petrus Oomen een stuk bos en een visvijver:

Asten Rechterlijk Archief 100 folio 209; 20-02-1782:
Petrus Aarts, pastoor, verkoopt aan Peter Ommen, te Venroy heiveld het Meuleneuzel, zijnde nu bos 3 lopense; heiveld 38 roeden zijnde nu een visvijver, gekomen van de gemeente bij transport de dato 04-07-1768. Koopsom ƒ 50,-.

Petrus Aerts sluit met Petrus Oomen, pastoor te Venray een overeenkomst om zijn nalatenschap te delen:

Asten Rechterlijk Archief 126 folio 230 verso; 02-12-1789:
Petrus Aarts, landdeken van het district Helmondt en pastoor te Asten doet zijn testament de dato
10-08-1782 dood ende teniet. Petrus Aarts, landdeken van het district Helmondt en pastoor te Asten en Petrus Oomen, pastoor te Venray. Zij hebben in de minne geregeld hun onderlinge pretenties en schulden.

Petrus Aerts werd in 1781 deken van het dekenaat Helmond en is op 31-12-1789 te Asten overleden. Hieronder zijn begraafakte:

08

Wilhelmus van Asten, 1790-1798

Wilhelmus van Asten is geboren te Lierop op 11-05-1744 als zoon van Laurentius van Asten en Johanna Willems van Moorsel. Wilhelmus van Asten kreeg in 1790 zijn overplaatsing van Valkenswaard naar Asten. Van Peeter Oomen, die met de vorige pastoor Petrus Aerts de erfenis had geregeld, koopt Willem van Asten de visvijver:

Asten Rechterlijk Archief 165 folio 65 verso; 03-05-1790:
Taxatie van de onroerende goederen van Peeter Oomen, te Venroy, hetwelk heden bij donatie zal worden overgedragen aan Heer Willem van Asten, Rooms Pastoor, alhier. Waarde Nieuwe Erve nu een visvijver aan den Astense Dijk 38 roeden ƒ 25-00-00.
Peeter Oomen, te Venrooy, in Pruysisch Gelderland, verkoopt aan Heer Willem van Asten, Roomsch pastor, te Asten land Nieuwe Erve thans een visvijver aan den Astensen Dijk 38 roeden. Verponding ƒ 0-2-0 per jaar. Bij gerechtelijke taxatie ƒ 25-00-00. Bij artikel 5 der ordonnance 24-12-1695 de 40e penning moet worden betaald.

Willem van Asten ontvangt een donatie bij een erfenis:

Asten Rechterlijk Archief 129 folio 119; 20-05-1799:
Cicilia Peter Franse van de Meulendijk, ziek, testeert. Alle voorgaande testamenten vervallen. Haar erfgenamen worden en Armen van Asten voor de helft, Thomas Verhuysen en Francis Verkuylen met zijn verdere broers en zusters, welke comparante niet weet te noemen. En dit onder de volgende bepaling dat de ƒ 50,- diewelke van Jan Philips van Hout moet ontvangen zullen worden uitgereikt aan Willem van Asten, pastoor, alhier.

Bij onwettig geboren kinderen wordt het doopboek van de kerk betrokken om de notitie van de mogelijke vader uit de mond van de vroedvrouw te horen:

Asten Rechterlijk Archief 33-52; 10-06-1805:
Extractum ex registra baptizatorum Romano Catholica Communitatis de Asten in quo habitur ut signitur. Anno millisimo octingentesima quintodie nona mensis Magi. Baptizata est Joanna filia illegitima Joanna Maria Henrici Roymans et ut mater in partu obstitrici declaravit Joannis Joannis Verberne. Succeptores Arnoldus Petri Aerts et Maria Petri Peters. Concordat cum suo originali quod attestor Gaspar van Maasackers sacell. Ex speciale commissione eed. Domi W. van Asten pastoris.

Uittreksel uit het doopregister van de rooms-katholieke kerk van de Astense gemeenschap. In het jaar 1805 op de 20e dag van de maand mei is gedoopt Johanna onwettige dochter van Johanna Maria Henrici Roymans die tijdens de geboorte aan de vroedvrouw beweerde dat Joannes Joannes Verberne de vader is. Getuigen Arnold Peter Aerts en Maria Peter Peters. Ik bevestig dat zij instemmen met het origineel Gaspar van Maasackers kapelaan. Wilhelmus van Asten pastoor.

Willem van Asten verkoopt de oude pastorie aan de gereformeerden:

Asten Rechterlijk Archief 106 folio 133 verso; 11-03-1807:
Willem van Asten, pastoir, Willem Berkers, Martinus van Bussel, Johannes Knaapen en Marcelis van Bussel, als kerkmeesters van Asten, verkopen aan C. Jansen, predikant, geassisteerd met Leendert van Riet, Hendrik van den Bosch en Abraham van Nouhuys, als gecommitteerden van de Gereformeerde Gemeente van Asten een huis, schop, washuis, sacristie, hof en aangelag genaamd de oude Pastoirswoning 1½ lopense. Gelegen in zijn heggen en kerkmuur met de plaats waar te voren de oude kerk gestaan heeft. Zullende de buitenmuur aan de straat en aan de gevel naar het zuidoosten tot aan de heggen van den hof op die hoogte blijven, zoals bij de koop bepaald is. En de verkopers zullen verplicht zijn de muur daar, alwaar de glasramen gestaan hebben, zo hoog, met goede stenen en kalk behoorlijk op te metselen zodat de gehele muur op gelijke hoogte is. Ook zal de poort of ingang van de afgebroken kerk behoorlijk en vast toegemetseld worden tot op de hoogte van de voorschreven muur. De gevel van de afgebroken kerk is onder de koop begrepen en daarom mag daarvan niets afgebroken worden. Het Peelveld aan de Scheepersdijk zal tussen kopers en verkopers half / half worden verdeeld. Koopsom ƒ 1200,-.

In 1805 werd Joannes Henricus Smits, geboren te Eindhoven zijn assistent. Wilhelmus van Asten is op 20-05-1819 te Asten overleden en hieronder zijn overlijdensakte:

09


Het vervolg van de lijst van de pastoors staat beschreven bij de oude kerk, die in 1798 weer in gebruik werd genomen door de katholieken (zie Voormalige kerk, G589).

Kapelaans ten tijde van de schuurkerk

Op basis van het boek Geschiedenis van het Bisdom 's Hertogenbosch van 1872[13] en het boek 'Aasten mi z'n groten toren' van Henk Berkers en Harry Verdijsseldonck ter ere van het 100-jarige bestaan van de Heilige Maria Presentatiekerk te Asten, is een reconstructie van de kapelaans van Asten gemaakt en aangevuld met rechterlijke archiefstukken en krantenartikelen. Tot 1648 gebruikten de kapelaans de oude kerk, van 1648 tot 1798 maakten ze gebruik van een schuurkerk, van 1798 tot 1898 weer de oude kerk en vanaf 1898 de nieuwe kerk. Een tweede kapellanie is in 1843 gestart en een derde in 1863. Hieronder een overzicht van de pastoors van Asten over de periode 1616 tot 1960:

Periode Kapelaan Geboorteplaats / datum Volgende ambt Overlijdensplaats / datum Locatie
1616 Theodorus Petri Peters Oude kerk; G589
1673-1706 Florentius Daendels Asten 08-06-1647 Asten 04-01-1706 Schuurkerk; G463
1689-1694 Hendricus Horckmans Asten 14-02-1662 Pastoor te Leende Leende 21-06-1723
1698-1704 Franciscus van de Cruys Asten 24-03-1674 Pastoor van Asten Asten 28-01-1743
1717-1718 Judocus Loomans Asten 14-10-1690 Asten 27-01-1718
1721-1723 Joannes Sporenbergh Asten 21-04-1697 Asten 03-06-1723
1738-1743 Thomas Kokken Made 19-12-1713 Asten 1743
1754-1763 Simon Braakhuysen Bergeijk 03-08-1719 Pastoor te Gestel Gestel 25-10-1798
1763-1774 Ludovicus van de Mortel Deurne 23-05-1728 Rector te Liessel Liessel 04-12-1776
1785-1795 Joannes Berkers Aarle Rixtel 02-04-1754 Pastoor te Nuenen Nuenen 18-05-1816
1795-1798 Henricus van den Oetelaar 's-Hertogenbosch ±1772 Pastoor te Neerloon Neerloon 21-01-1834
1798-1800 Oude kerk; G589
1800-1801 Daniël van den Berg Gemert 10-04-1774 Kapelaan te Nuenen Valkenswaard 02-11-1858
1801-1812 Gaspar van Maasacker Gerwen 17-07-1775 Pastoor te Woensel Woensel 19-01-1828
1812-1813 Paulus Antonius van Baer Eindhoven 22-10-1788 Kapelaan te Schijndel Maastricht 28-01-1855
1813-1814 Gijsbert Cuppens Eindhoven 14-09-1779 Deed afstand
1814-1819 Josephus van den Berg Heesch 14-07-1780 Pastoor te Nieuwkuijk Nieuwkuijk 08-08-1830
1819-1821 Jacobus de Vocht Helmond 25-12-1793 Kapelaan te Best
1821-1826 Franciscus Josephus Sauvé Asten 09-02-1789 Pastoor te Maarheeze Asten 24-01-1873
1826-1831 Gerardus van de Rijt St Oedenrode 25-05-1798 Asten 30-05-1831
1831-1845 Theodorus Scheutjens Geldrop 31-10-1804 Pastoor te Milheeze Milheeze 06-06-1868
1843-1844 Joannes Baptist Raijmakers Helmond 22-04-1815 Asten 01-05-1844
1844-1863 Willebrordus Brox Esch 25-12-1818 Pastoor te Lagemierde Deurne 01-09-1888
1845-1851 Cornelis van Amelsvoort Tilburg 04-06-1820 Kapelaan te den Bosch Tilburg 18-03-1874
1851-1864 Petrus Maas Leende 15-01-1824 Rector te den Bosch Asten 29-09-1909
1861-1867 Adrianus Sevens Geldrop 12-10-1835 Kapelaan te Berchem Niftrik 06-07-1910
1863-1882 Petrus Verkuijlen Schijndel 21-02-1838 Pastoor te Beugen Boekel 01-10-1915
1865-1869 Gerardus H van Aerssen Helmond 16-09-1827 Pastoor te Steensel Alphen 25-06-1900
1867-1882 Dionijsius Koolen Tilburg 04-05-1839 Pastoor te Ommel Oisterwijk 28-09-1912
1869-1877 Joannes Dionijsius Joren Zevenbergen 18-03-1830 Pastoor te Malden Zevenbergen 07-01-1914
1877-1892 Wilhelmus J van der Putten Stiphout 19-03-1852 Velp
1880-1892 Antonius H Pessers Tilburg 23-10-1852 Rector te Rosmalen Linden 11-03-1912
1882-1888 Philibertus W Goossens Diessen 25-10-1852 Kapelaan te Oss Eersel 22-04-1926
1888-1892 Johannes M van Bokhoven Haarsteeg 16-05-1848 Pastoor te Haren Haren 14-02-1904
1892-1898 Franciscus J van Bommel Tilburg 04-11-1863 Rector te Grave Herpen 09-07-1919
1892-1894 Wilhelmus A van Iersel Waalwijk 16-09-1860 Rector te Oisterwijk Heel 01-09-1926
1894-1898 Hendricus van der Velden Liempde 22-01-1856 Pastoor te Bergharen Puiflijk 01-04-1915
1898-1900 Nieuwe kerk; G1856
1898-1911 Joannes C Martens Udenhout 11-12-1866 Pastoor te Balgoij Balgoij 04-09-1918
1900-1906 Frans F Willaert Boxtel 11-10-1874 Kapelaan Zevenbergen Dussen 28-07-1937
1906-1912 Franciscus M Bots Helmond 24-09-1872 Kapelaan te Gestel Hurwenen 07-03-1921
1911-1917 Antoon van den Broek Wanroij 14-10-1879 Kapelaan te Tilburg Wamel 10-01-1936
1912-1918 Martinus F Sengers Mierlo 19-12-1872 Pastoor te Zwaluwe Zwaluwe 20-07-1935
1917-1920 Joannes M Arnold Tilburg 10-10-1882 Pastoor te Heusden Asten 27-01-1951
1918-1923 Arnoldus J Verhoeven Heusden 21-08-1893 Rector te Goirle Goirle 02-02-1956
1921-1924 Johannes C van der Veeken Made 02-12-1892 Kapelaan te Tilburg Stiphout 01-11-1948
1923-1926 Franciscus A Muselaers Erp 29-05-1890 Kapelaan te Someren Hooge Mierde 28-07-1960
1924-1932 Jacobus N van Loosbroek Oss 05-08-1899 Haarlem 19-06-1932
1926-1940 Petrus W Vossen Tongelre 27-10-1895 Pastoor te Vortum Veldhoven 24-09-1986
1932-1938 Laurentius J Boelaars Tilburg 05-06-1905 Kapelaan te Eindhoven Gemert 12-05-1998
1938-1946 Hendricus C Sanders Nuenen 22-03-1907 Kapelaan te Best Oijen 27-01-1960
1940-1944 Henricus J van Gestel Tongelre 01-03-1906 Kapelaan te Oirschot Spoordonk 06-01-1978
1944-1949 Johannes A van den Wildenberg Oerle 11-09-1903 Pastoor te Heumen Liempde 14-01-1973
1946-1952 Josephus M Vogels Woensel 01-06-1904 Pastoor te Nederasselt Asten 18-01-1976
1947-1960 Joachim J Kamp Waspik 24-07-1920 Pastoor te Nieuwkuijk Vlijmen 12-10-1991
1952-1954 Jacobus A Burghouts Kapelaan te Goirle
1954-1956 Petrus J Pulles Kapelaan te Gemert
1956-1958 Franciscus P van Hoeck Helmond 21-11-1921 Kapelaan te Schijndel Tilburg 18-09-1981

Florentius Daendels, 1673-1706

Florentius Daendels is geboren te Asten op 08-06-1647 als zoon van Antonius Daniels en Adriaentken. Vanaf 1673 wordt hij genoemd als kapelaan te Asten en later als vice-pastor. In het rechterlijk archief van Asten komt Florentius Daendels voor als schuldeiser, pachter en erfgenaam:

Asten Rechterlijk Archief 82 folio 43 verso; 08-02-1678:
Thomas Idelet, advocaat en licentiaet in beide rechten, te Someren, is schuldig aan Heer Florentius Daendels ƒ 200,- à 5½%. Marge: 28-05-1686 gelost.

Asten Rechterlijk Archief 109 folio 55; 16-01-1694:
Adriaen Jansen getrouwd met Catarina Peters, weduwe Jan Adriaensen van den Berge, wonende te Velthoven verpacht zijn ½e deel in een clamptiende de Braselse tiende, waarin de weduwe de Lauw de helft bezit het andere ½e deel is van Jan Reynders van den Broeck, te Velthoven. En welke clamptiende is rijdende met het Groot Gasthuys, te 's Hertogenbosch en de kinderen en erven van wijlen Aert Donquers, advocaet. Pachters zijn Heer Florentius Daniels en Jan Everts. Pachttermijn 4 jaar. Pachtsom: 6 mud rogge per jaar en 3 mud boekweit per jaar Eindhovense maat ten huize van de verpachter te leveren.

Asten Rechterlijk Archief 09 folio 111 verso; 30-06-1696:
Florentius Daniels, enige erfgenaam van Antony Daniels, geeft procuratie aan Pieter van Megen, clercq ter secretarie, te 's Hertogenbosch, om namens hem te casseren een rente van ƒ 636,- ten laste van Hendrick van Luytelaer, gewoond hebbende te Helmont, ten bate van Antony Daniels, zijn vader de dato 28-02-1665 schepenen 's Hertogenbosch.

Asten Rechterlijk Archief 110 folio 10 verso; 28-06-1697:
Dominicus van den Broeck, te Turnout en Lambert Hobis getrouwd met Petronella van den Broeck. Alzo kinderen van wijlen Jan Reynders van den Broeck, die welke als tochter gevreyt sijnde van seeckere clamptiende. Zij verhuren deze klamptiende, gelegen te Asten, aan Heer Florentius Daniels en Jan Everts. Huurtermijn 8 jaar.

Florentius Daendels is op 04-01-1706 te Asten overleden hieronder zijn begraafakte:

Obijt reverendus Florentius Daendels aetatis suae 59 vice pastor.

Overleden is vice pastoor Florentius Daendels zijnde 59 jaren.

10

Na zijn overlijden openen zijn vrienden zijn testament:

Asten Rechterlijk Archief 110 folio 209; 11-01-1706:
Schepenen van Asten zijn op verzoek van Peeter Jan Baltus, Leendert Bernaerts en meer andere vrienden van wijlen Heer Florentius Daniels gecompareert en hebben ontvangen een besloten testament de dato 24-06-1692. Wij hebben op hun verzoek het testament, van Florentius Daniels, geopend.

Hendricus Horckmans, 1689-1694

Hendricus Horckmans is geboren te Asten op 14-02-1662 als zoon van Cornelis Horckmans en Josyna Michiel Jacobs van de Cruys. Hij studeert theologie in Leuven en wordt in september 1689 kapelaan te Asten. In het rechterlijk archief van Asten komt hij voor bij een erfenis van zijn oom pastoor Johan van de Cruys:

Asten Rechterlijk Archief 10 folio 156 verso; 07-03-1704:
Maria van de Cruys, Francicus van de Cruys, Hendrick Tho poell getrouwd met Elske van de Cruys, Jan van Rooy getrouwd met Goverdyn van de Cruys, Christina van de Cruys, Antony, zoon Antony van de Cruys absent zijnde voor deze Hendrick Tho poel, Hendrick Canters en Hendrick Knippenbergh als geëde momboiren van de zes onmondige kinderen van wijlen Jacob van de Cruys en Agnes Knippenbergh, Johan, ook zoon van Jacob van de Cruys en Margaretha Swinckels in eerste huwelijk, Hendrick Horckmans, Frans Hoefnagel getrouwd met Sophia Horckmans, Catarina Horckmans, weduwe Bastiaen Verhoeven alle drie kinderen van wijlen Cornelis Horckmans en Josina van de Cruys. Allen nichten en neven van wijlen de Heer Johan van de Cruys, zijnde de naaste erfgenamen. Zij delen diens nagelaten goederen.
1e lot krijgen Maria van de Cruys, Francicus van de Cruys, Hendrick Tho poell getrouwd met Elske van de Cruys, Jan van Rooy getrouwd met Goverdyn van de Cruys, Christina van de Cruys en Antony, zoon Antony van de Cruys ƒ 1200,- staande tot hun eigen last; huis en hof, in zijn heggen, waar Johan van de Cruys is overleden ten behoeve van Maria van de Cruys.
2e lot krijgen Hendrick Horckmans, Frans Hoefnagel getrouwd met Sophia Horckmans, Catarina Horckmans, weduwe Bastiaen Verhoeven ƒ 600,- ten laste van de kinderen Antony van de Cruys.
3e lot krijgen de zes onmondige kinderen van wijlen Jacob van de Cruys en Agnes Knippenbergh ƒ 760,- ten laste van de gemeente Asten; de coornrente ten laste van Peeter Reynders en anderen ƒ 100,- ten laste van de kinderen Antony van de Cruys.
4e lot krijgt Johan, zoon van Jacob van de Cruys en Margaretha Swinckels ƒ 200,- ten laste van de kinderen Antony van de Cruys.

In 1694 wordt Hendricus Horckmans pastoor te Leende en in het rechterlijk archief van Asten eist hij nog een schuld op:

Asten Rechterlijk Archief 11 folio 212; 21-10-1705:
Heer Hendrick Horckmans, te Leende, aanlegger contra Joost Hendrick van Heughten, te Ommel, gedaagde. Betreft aflossing obligatie.
Bij de scheiding en deling van de nagelaten goederen van wijlen Michiel Jacops van de Cruys is aanlegger ten deel gevallen een obligatie van ƒ 400,- à 5% ten laste van gedaagde. Dat deze op de aflossing van de intrest der jaren 1685-1687 te weinig heeft betaald ƒ 2-12-0. Dat de intrest over 1690-1694 niet is betaald. En alzo nog schuldig ƒ 102-12-0. In korting is ontvangen op 11-01-1695 ƒ 4-8-0, op 24-06-1695 ƒ 5-0-0 en door Wilbort Reynders op 24-09-1704 ƒ 10-0-0. Zodat redevable blijft ƒ 84-04-0. Gezien de lange tijd en de vele minnelijke pogingen, om de bedragen te innen, hetgeen tot nog toe niet gelukt is, wordt de weg van het recht gezocht.

Hendricus Hurckmans is op 21-06-1723 te Leende overleden en hieronder zijn begraafakte:

Inter primam et secumdam nocturnam obijt amplissimus dominus Hendericus Hurckmans huius communitatis pastor.

Tussen de eerste en tweede nacht is overleden Hendricus Hurckmans pastoor van onze gemeenschap.

11

Franciscus van de Cruys, 1698-1704

Franciscus van de Cruijs is geboren te Asten 24-03-1674 als zoon van Anton Michiel Jacobs van de Cruys en Marie Aert Fransen Verryt. Hij studeert theologie te Leuven en wordt in 1698 kapelaan te Asten en in het rechterlijk archief van Asten wordt hij genoemd als eigenaar van een huis te Vlierden:

Asten Rechterlijk Archief 110 folio 181 verso; 06-11-1704:
Inventaris van de goederen van Elisabet Jan Peters, weduwe Hendrick Jacob Bogaerts ¼e deel in huis, aangelag, land en groes aan de Beersdonck, te Vlierden. Het overig ¾e deel is van Heer Franciscus van de Cruys. Met dien verstande dat uit deze goederen de onkosten betaald moeten worden terzake van het proces voor de Raad van Brabant.

In 1704 wordt Franciscus van de Cruijs pastoor te Asten (zie pastoor Franciscus van de Cruys).

Judocus Loomans, 1717-1718

Judocus Loomans is geboren te Asten op 14-10-1690 als zoon van Godefridus Petri Loomans en Margaretha Joannis Baltis. In het archief van Asten verkoopt hij zijn erfdeel aan zijn broers:

Asten Rechterlijk Archief 92 folio 129; 24-02-1718:
Heer Joost Loomans geeft over aan Jan en Antony Loomans ⅓e deel van: een schepenobligatie van ƒ 650,- Asten de dato 08-03-1683 ten bate van Goort Peeter Loomans; van een obligatie van ƒ 250,- de dato 15-11-1707 ten laste van Frans van Bussel ten bate van de kinderen Goort Loomans; van een akker in 't Dorp geheel 7 lopense; van de Pastoryacker geheel 2 lopense; van den Snijderscamp geheel 2½ lopense; van een akker aan 't Dorp geheel 1½ lopense; van een groesveld in 't Root geheel 7 lopense; van een groesveld in 't Root geheel 2 lopense; van huis, hof en aangelag in 't Dorp geheel 5 lopense. Hem aangekomen van zijn ouders, bij erfenis. Belast met ƒ 8-12-12 per jaar in een meerdere rente aan geestelijke pacht. Koopsom ƒ 200,-. Lasten ƒ 67,40.

Judocus Loomans is op 27-02-1718 te Asten overleden en hieronder zijn overlijdensakte:

Obijt Reverendus Dominum Judocus Loomans, factus facidas 18 september 1717.

Overleden Heer Judocus Loomans sinds 18 september 1717 in dienst.

12

Joannes Sporenbergh, 1721-1723

Joannes Sporenbergh is geboren te Asten op 21-04-1697 als zoon van Johannes Nicolai Sporenbergh en Elisabeth Antoni van de Cruys. Vanaf 1721 wordt hij genoemd als kapelaan te Asten, doch Joannes Sporenberg is reeds op 03-06-1723 te Asten overleden en hieronder zijn begraafakte:

Obijt reverendus adrium Jois Sporenbergh vice pastor en Astis pora prima post vedur.

Overleden is de heer Jois Sporenbergh vice pastoor van Asten nadat hij juist begonnen was.

13

Thomas Kocken, 1738-1743

Thomas Kocken is geboren te Made op 19-12-1713 als zoon van Petrus Kocken en Cornelia Jooren. Hij is vermoedelijk sinds 1738 kapelaan in Asten en in het rechterlijk archief van Asten wordt hij bij het testament van Maria van de Cruys genoemd:

Asten Rechterlijk Archief 119 folio 18 verso; 23-04-1743:
Maria van de Cruys getrouwd geweest met Gevard van Doorn, in het Dorp, testeert. Al haar goederen te verdelen in acht gelijke porties en welke bestemd zijn voor de drie kinderen van wijlen Francis van de Loverbosch met name Jan, Francis en Hendrik ieder 1⁄8e deel; de voorkinderen van Hendrik van de Sande getrouwd geweest met Lusia van Roy, te Leend, met name Bartel en Jan 1⁄8e deel; Antoni van Rooy, te Leende 1⁄8e deel; Geertruy Kerstens getrouwd met Jan Sprengers, te Tongeren 1⁄8e deel onder beding dat de verkrijgers van dit 1⁄8e deel verplicht zijn in de boedel in te brengen, op straffe van uitsluiting, de ƒ 200,- als door testatrice ten hunne behoeve is opgenomen van Willem Verhaseldonk obligatie 15-10-1742; Heer Antoni Thopoel 1⁄8e deel onder voorwaarde dat, mocht na het overlijden van de testatrice bevonden worden dat voornoemde Heer gedurende zijn leven lang een goede verzekering heeft, naar zijn staat, en hij daartoe geen verdere middelen nodig heeft dit 1⁄8e deel gelijkelijk over de zeven andere porties verdeeld mag worden. Na overlijden van voornoemde Heer zal eveneens dit 1⁄8e deel aan de zeven andere ten goede komen. Na overlijden van de testatrice, op de dag van haar begrafenis, zal worden gebakken 3 mouwen koorn off rogge welk brood door de armmeester aan de arme mensen, alhier, zal worden uitgereikt. Als testamentair executeuren worden benoemd Tomas Cocke, kapelaan, te Asten en Michiel van de Cruys, president.

Er heerst dysenterie in Asten en Thomas Kocke doet daar mede verslag van:

Asten Rechterlijk Archief 119 folio 32; 12-10-1743:
Compareerde voor schepenen van Asten in de quartiere van Peeland, Meyerije van 's Hertogenbosch de Heer Ignatius van Dijk, medecijne doctor, te Gemert, de Heer Tomas Cocke, Roomsch Cappellaan, alhier vermits het overlijden van de pastoor en Johannes Souvé, chirurgijn. Dewelke ter requisitie van de regenten, alhier, verklaaren voor de opregte waarheyt waar en waaragtig te wesen, te weten Ignatius van Dijk dat hij op den 9e van dese maand October is geweest op sekere uythoek van Asten, genaamt Heusden en aldaar gevisiteert verscheyde huysen en bevonden dat veele persoonen en kinderen besmet sijn met den grouwen buykloop die door de armoede seer ellendig krank lagen en dat in de huysen soo veel stank was door de vuyligheyt des afgangs veroorsaakt dat het bijna niet is om aldaar in te gaan off te blijven, zijnde de voorschreven ziekte tusschen den 9 en 10 deser overleeden vijff persoonen waarvan een persoon woonachtig was in een andere uythoek, genaamt den Wolfsberg en een persoon midden in het Dorp alwaar deselve ziekte ontstooken was. Wijders verklaaren Ignatius van Dijk en Johannes Souvé dat zij te zaame op den 11e deser meest alle wooninge op den uythoek Heusden hebben gevisiteert en daar ingeweest en bevonden dat er 17 huyshoudens met de voorschreven quaale besmet zijn, en in zommige huysen 2 en 3 persoonen ziek van de voorschreven droevige quaale bevonden en na onse beste kennis 25 doodelijk besmet van de voorschreven ziekte en dat van de voorschreven quaale binnen den tijt van 14 dagen 11 persoonen overleeden zijn. Soodat aan de siekte meest haaren besmetten voortgank moet toegeschreven worden aan den ellendigen staat en onvermogentheyt der persoonen aldaar en daarontrent wonende, waarin met goet onderhoud en goede medecijne behoorde voorsien te worden, om sooveel doenelijk is, den voortgank van de voorschreven droevige quaale te beletten.
Tomas Cocke verklaart dat hij als Roomsch Cappellaan alhier binnen den tijt van ontrent 14 daagen in haare ziekte heeft bedient 16 persoonen waaronder niet begrepen sijn eenige kinderen onder de seven jaaren, zijnde alle besmet volgens declaratie van den doctor en chirurgijn met den grauwen buykloop. Zijnde zedert den tijt van 14 dagen daarvan gestorven 11 persoonen, zijnde sommige persoonen die nog eenigsints vermogende zijn door voorsorgen van den doctor aan het beteren, en nog leggende kranken, meestendeel behoeftige persoonen, waarin behoorde voorsien te worden met onderhoud en medecijne te besorgen. Eyndigende sij comparanten hiermede dese haare opregte verklaringe en hebben na voorgaande prelectuure daarbij gepersisteert en reden van welwetentheyt gealegeert als voorschreven staat, Asten 12 october 1743.
Ten overstaan van Michiel van de Cruys president, Peter van de Vorst schepen.
Ignatius van Dijck medecijne doctor, Thomas Kocke cappellaen tot Asten, Johannes Sauvé chirurgijn.

Thomas Kocke woonde in bij pastoor Franciscus van de Cruys en maakt zijn overlijden mee:

Asten Rechterlijk Archief 148; 18-11-1743:
Aan de Raad van Brabant, suppliant, Anthony Jansen van Roy, te Leende, als erfgenaam, ab intestato, van wijlen Francis van de Cruys, in leven Rooms Priester, te Asten overleden februari 1743. Als erfgenamen heeft hij nagelaten Maria van de Cruys, weduwe Gevard van Doerne, Jan Sprengers getrouwd met Geertruyt Kerstens, schepen, te Tongeren, de suppliant in deze en Antony Thopoel, zijnde innocent, zijn voogden zijn Arnoldus Thopoel, schepen, te Venroy en Michiel van de Cruys, president, te Asten. Op 06-03-1743 zijn reeds, door voornoemde erfgenamen, de meubilaire goederen uit de boedel verkocht. De opbrengst is geconsigneerd onder de secretaris van Asten.
Thomas Cocken, kapelaan onder de overledene en bij hem inwonende geweest is in het sterfhuis gebleven en heeft onder zich gehouden ƒ 1800,- en andere goederen, alsmede de boeken, charters en andere papieren. Suppliant kan in de minne niet komen tot een scheiding en deling van voornoemde boedel. Hij verzoekt, om de overige erfgenamen op te leggen, om met hem, suppliant, een inventaris van de boedel op te maken en daarna te komen tot een behoorlijke scheiding en deling en hem, suppliant, zijn gerechte ¼e deel uit te keren.
Marge: Partijen zullen, alvorens de Raad uitspraak doet, binnen veertien dagen compareren voor deze Raad. Naar aanleiding hiervan is op 28-11-1743 in samenspraak met goede mannen een acte van compromis gemaakt.

Asten Rechterlijk Archief 119 folio 61 verso; 04-01-1744:
Hendrik Berten, president, te Woensel, heeft ontvangen van de vrouw van Jan Sprengers ƒ 155,- waarvan afgetrokken de onkosten van het arrest daarop gedaan door Francis Coolen, te
's Hertogenbosch. Zijnde de voorschreven som het aandeel van de erfenis van Francis van de Cruys aan de vrouw van Jan Sprengers. De ƒ 155,- zijn ontvangen in mindering van een obligatie van ƒ 350,- ten laste van Sprengers en ten bate van de comparant secretarie Eyndhoven van 15-06-1742. De comparant zegt toe dat, indien blijkt dat Francis Coolen dezelfde rechten op de gelden heeft, hij deze op eerste vermaan zal deponeren op de secretarie te Eyndhoven. Verder zegt hij toe dat, mocht hij meer ontvangen als de voorschreven som, uit de gelden van het huis dat nog door hem verkocht moet worden deze gelden zal laten ten bate van de crediteuren die daar recht op hebben. Mede compareerde, Antony Heycoop, procureur, welke verklaarde voorlopig, op goedkeuring van zijn meester, voorzover hem aangaat genoegen te nemen en de voorschreven gelden die onder Tomas Cocke, Cappellaan, in arrest zijn genomen wegens Francis Coolen, denzelve daarvan ontheffende.

Het kerkarchief meldt dat Thomas Kocken eind 1743 te Asten is overleden, waarschijnlijk ook aan dysenterie, waarvan hieronder akte:

Obiit Reverendus Dominus Thomas Kocke ex Made, vice pastor lujus communitatis. Requiem in pacem. Diacesis erat sine vicario hac comunitas sine presbytero admisso quando ex singulari concessione alt potentium Reverendus Dominus Antonius Cuijpers vice pastor in Deurne deservitor delique qui pasten factus pastor in Dommel ibidem mortus est. Successit in pastoratu anno 1745 Beckers, qui anno 1748 obiit.

Overleden de heer Thomas Kocke uit Made, vice pastoor van onze gemeenschap. Dat hij ruste in vrede. Vanuit het bisdom was er geen priester en Antonius Cuijpers, kapelaan van Deurne nam de pastorale zaken waar en later pastoor in Dommelen werd. Vervolgens wordt in 1745 heer Beckers pastoor, die in 1748 komt te overlijden.

14

Simon Braakhuysen, 1754-1763

Simon Braakhuysen is geboren te Bergeijk op 03-08-1719 als zoon van Walterus Everardus Braeckhuijsen en Maria Simons Helsemans. Simon Braakhuysen is vanaf 1754 kapelaan te Asten en in het rechterlijk archief komt hij voor als getuige om te bevestigen dat comparanten in staat zijn om 150 gulden per jaar te betalen voor een familielid dat voor priester wil gaan studeren:

Asten Rechterlijk Archief 120 folio 131; 06-12-1754:
Goort Lomans, moolenaar, is schuldig aan Pieter Lomans, zijn zoon, zijn leven lang in cas van node hebbende een jaarlijkse som of rente van ƒ 150,-. Borgen Johannes Martinus Jansen en Joost Goort Lomans. Nog compareerde de Heer Simon Braakhuysen, cappellaan, alhier en Johannes van der Linden welke verklaren dat de voornoemde comparanten voor de ƒ 150,- per jaar suffisant gegoeyt en geerft sijn waarom aan ieder die deze acte wordt vertoond verzocht wordt om deze voor valide te nemen.

Asten Rechterlijk Archief 121 folio 65 verso; 10-08-1758:
Jan Tijssen van Dijk, schepen, is schuldig aan zijn zoon, Heer Mattijs van Dijk, gedurende zijn leven lang, indien nodig, tot alimentatie ƒ 150,- per jaar. Borgen Pieter Slaats en Goort Canters. Mede compareerde Heer Symon Braakhuyse, cappellaan, alhier en Johannes van der Linden die verklaren dat voornoemde personen suffisant, gegoeyt en geerft sijn om de voormelde som jaarlijks te voldoen.

Asten Rechterlijk Archief 121 folio 151 verso; 27-12-1760:
Jan van de Loverbosch, coopman, Jan de Groot, te Vlierden, Engel en Antonet van de Loverbosch. Zij zijn schuldig aan Heer Symon van de Loverbosch, dit gedurende zijn leven lang, indien hij dit nodig heeft ƒ 150,- per jaar. Mede compareerde Heer Simon Braakhuysen, cappellaan en Johannes van der Linden, beiden alhier. Zij verklaren dat de voorschreven comparanten suffisant, gegoeyt en geerft zijn om de ƒ 150,- per jaar te betalen.

Simon Braakhuysen vertrekt in 1763 naar Gestel om daar het ambt van pastoor te bekleden en is op 25-10-1798 te Gestel overleden en hieronder zijn begraafakte:

15

Ludovicus van de Mortel, 1763-1774

Ludovicus van de Mortel is geboren te Deurne op 23-05-1728 als zoon van Joannis Cornelis van den Mortel en Catharina Antony de Veth. Hij studeert theologie te Leuven en is rond 1749 geïmmatriculeerd en studeert Artes aan de pedagogie Het Varken. Hij betaalt als pauper geen studiegeld en promoveert op 17-11-1750 tot Artium Licentiatus. Ludovicus van de Mortel wordt eerst theologant en vervolgens van 1763 tot 1774 kapelaan te Asten.

In het rechterlijk archief van Asten wordt Ludovicus van de Mortel genoemd bij een schuld aan hem, een getuigenverhoor en de verkoop van land:

Asten Rechterlijk Archief 98 folio 238 verso; 13-06-1767:
Willem Daandel Coolen is schuldig aan Louis van de Mortel, kapelaan, te Asten ƒ 400,- à 3%. Marge: 03-07-1777 gelost aan Adriaan van de Mortel, te Bakel, als mede-erfgenaam van Louis van de Mortel.

Asten Rechterlijk Archief 33-52; 31-10-1767:
Jan Meulendijks getrouwd met Catharina Frans Lambers mede voor de onmondige kinderen van Joost Kuypers getrouwd geweest met Maria Frans Lambers, Johanna weduwe Martinus Frans Lambers als moeder van hun onmondige kinderen. Jan Metten getrouwd met Maria Coninks mede voor Frans en Catharina Coninks kinderen van Johanna Frans Lambers en Francis Coninks. Allen erfgenamen en ab intestato representanten van wijlen Lijneke Frans Lambers aanleggers contra Hendrik Coopmans, gedaagde.
Aanleggers zeggen dat gedaagde aan Heer Petrus Aarts, Rooms Pastor, alhier, in de ziekte van Lijneke Frans Lambers heeft beleden dat hij voor vuur, licht, woning van haar te pretenderen had tien ducaten. Dat Lijneke doodelijk ziek zijnde aan Heer Ludovicus van de Mortel, Rooms Cappelaan, alhier, de obligatie van ƒ 150,- heeft vertoond en gedeclareerd. Dat er een accoord gemaakt was tussen Lijneke en gedaagde op ƒ 40,-. Dat gedaagde na doode en overlijden van voorschreven Lijneke Frans Lambers, zijn datestabele baatzugt tragtende te coloreeren aan voornoemde Heer Pastoor heeft voorgebragt. Aanleggers wijzen het verweer van gedaagde af als zijnde, ongegrond, inpertinent, copieus en irrelevant.
Petrus Aarts, pastoor en Ludovicus van de Mortel, cappellaan, te Asten verklaren ter requisitie van de erfgenamen van wijlen Lijneke Frans Lambers, dat hij, Petrus Aarts, enige tijd geleden, toen Lijneke Frans Lambers ziek was door Johanna Frans Lambers, de nicht van Lijneke is geroepen om eens, ten huize van Hendrik Coopmans, bij Lijneke voorschreven te komen. Dat toen hij daar was Lijneke tegen hem gezegd heeft dat Hendrik Coopmans een pretentie ten laste van haar maakte wegens, vuur, licht, woning. Dat Hendrik Coopmans een en ander bevestigde en zei dat hij tien ducaten pretendeerde. Hij, comparant, heeft hem aangeraden te accorderen en is vertrokken. Vervolgens is Hendrik Coopmans, enige tijd nadat Lijneke was overleden, gekomen bij hem, eerste comparant, zeggende dat Lijneke Frans Lambers, de obligatie die zij ten laste van hem, Hendrik Coopmans, had, aan hem gemaakt had om daarmee de kosten van de uitvaart en verdere begeerten te voldoen. Waarop hij, Petrus Aarts, tegen Hendrik Coopmans heeft gezegd: "Dat zijn Uw affairens niet, gij zijt geen erfgenaam en geeft die obligatie aan de erfgenamen die dese toekomt", en verder dat hij, Hendrik Coopmans, maar vertrekken kon.
Ludovicus van de Mortel verklaart dat hij ten tijde dat Lijneke Frans Lambers geheel doodelijk ziek was ten huize van Hendrik Coopmans bij haar is gekomen en dat Lijneke hem de obligatie van ƒ 150,- en die ten laste van Hendrik Coopmans was, heeft laten zien zeggende: "Die veertig guldens wilde hij, Hendrik Coopmans, daaraf hebben maar het is nu gedaan, ik ben met hem geaccordeert".

Asten Rechterlijk Archief 99 folio 70 verso; 12-06-1769:
Hendrik Coopmans verkoopt aan Louis van de Mortel, kapelaan, te Asten groes het Stegensvelt 3 lopense. Verponding ƒ 1-11-0 per jaar. Koopsom ƒ 110,-.

Op 11 augustus 1774 wordt Ludovicus van de Mortel, als kapelaan benoemd in de Sint-Willibrordusparochie in Deurne en krijgt de verantwoordelijkheid over het rectoraat Liessel. Ludovicus van de Mortel is op 04-12-1776 te Liessel overleden en hieronder zijn begraafakte:

16

Joannes Berckers, 1785-1795

Joannes Berckers is geboren te Aarle Rixtel op 02-04-1754 als zoon van Jacobus Theodori Berckers en Maria Thomas van Gerwen. Joannes Berckers studeert theologie in Leuven en wordt in 1785 kapelaan in Asten tot zijn benoeming in 1795 als pastoor te Nuenen. Joannes Berkers is te Nuenen op 18-05-1816 overleden en hieronder zijn overlijdensakte:

17

Henricus van den Oetelaar, 1795-1798

Henricus van den Oetelaar is geboren te 's-Hertogenbosch rond 1772 als zoon van Machiel van den Oetelaar en Lucia Versleijen. Henricus van den Oetelaar studeert theologie in Leuven en wordt in 1795 benoemd tot kapelaan van Asten. In 1800 wordt Henricus van den Oetelaar benoemd tot pastoor van Neerloon. Henricus van den Oetelaar is op 21-01-1834 te Neerloon overleden en hieronder zijn overlijdensakte:

18


Het vervolg van de lijst van de kapelaans staat beschreven bij de oude kerk, die in 1798 weer in gebruik werd genomen door de katholieken (zie Voormalige kerk, G589).

Afbraak van de schuurkerk

De Fransen hebben in korte tijd de vrijheid van godsdienst hersteld, zoals opgetekend in het onvolprezen boek rituele repertoires in Noord Brabant geschreven door Gerard Rooijakkers[4]:

Na de omwenteling van 1795 werden de katholieken, evenals andere dissenters, erkend en in de gelegenheid gesteld hun religie openlijk te belijden. De grondwet van 1798 proclameerde de vrijheid van godsdienst alsmede de scheiding van kerk en staat, Aan de keuze voor een religie zouden geen burgerlijke voor- of nadelen meer verbonden zijn. De kerkgebouwen zouden toegewezen worden in overeenstemming met het plaatselijke bevolkingsaandeel per confessie. In deze jaren onderhandelde men alom over de teruggave van de oude, veelal met achterstallig onderhoud kampende katholieke kerkgebouwen, die tijdens het Ancien Regime door de kleine groep gereformeerden waren gebruikt

Bij de Resolutien van de representanten van het volk van Bataafsch Braband van het tweede jaar van de Bataafsche vrijheid, 1796, lezen we dat Marcelis van Bussel heeft verzocht om de kerk van Ommel voor de katholieke godsdienst te mogen gebruiken:

01k

Een jaar later is Marcelis van Bussel als kerkmeester ook al betrokken bij de oude kerk:

Asten Rechterlijk Archief 104 folio 44; 09-08-1797:
Het Corpus van Asten is schuldig aan Johannis Knaape en Marcelis van Bussel, als kerkmeesters van de Groote of Parochiekerk, te Asten, ƒ 100,- à 4%. Deze som is afkomstig van lening van 30-06-1796 ten bate van het Corpus door Willemina Jan Slaats nu getrouwd met Johannis Manders.

In 1798 worden de oude kerk aan het huidige Koningsplein, de pastorie aan de huidige Kerkstraat en de kapel van Ommel getaxeerd, alvorens in stappen te worden verkocht, geruild of overgedragen aan de katholieken:

Asten Rechterlijk Archief 165; 09-06-1798:
Taxatie van het kerkgebouw en pastory, zijnde van de gemeente en in huur bij predikant Jansen, de kerk ƒ 8150,-, de pastory ƒ 3000,-, de kapel, te Ommel ƒ 2000,-.

De katholieken verhuren de voormalige schuurkerk aan Jan Aalbert Verheyen, wonende op het neerhuis bij het kasteel, aangezien de gereformeerden de huurprijs niet konden betalen:

Asten Rechterlijk Archief 17 folio 47; 01-07-1805:
Pastor en kerkmeesters van de oude Roomsche Kerk, aanleggers contra Jan Aalbert Verheyen, gedaagde. Betaling van ƒ 388,- volgens schuldbekentenis de dato 05-01-1804. Het komt hen niet langer gelegen deze som uit te laten staan. De lening was onderhands zonder opzegtermijn.

In het boek Reizen door de Meijerij uit 1799[15] van Stephanus Hanewinckel lezen we dat de gereformeerden hun dienst moesten houden in een kamer van de pastorie:

Asten, dat men voor een mooi dorp mag houden, heeft een fraai kasteel en een mooie toren en kerk. Die laatste hebben de roomsen tegenwoordig in hun bezit, al hadden ze hier al een van de mooiste en grootste kerken van de Meierij. De hervormden moeten nu hun diensten houden in een kamer van het huis van de predikant, wat voor de predikant en voor de toehoorders met veel onaangename bezwaren en ongemakken gepaard gaat, vanwege de geringe omvang van die plek.

Dat is dan nog steeds de pastorie aan de huidige Kerkstraat en uit onderstaand archiefstuk blijkt dat de schuurkerk is afgebroken, maar het duurt nog tot 1807 voordat predikant Casparus Janssen de pastorie verlaat. De naast de schuurkerk gelegen pastorie wordt pas in 1807 nadat de schuurkerk is afgebroken, verkocht aan predikant Casparus Janssen:

Asten Rechterlijk Archief 106 folio 133 verso; 11-03-1807:
Willem van Asten, pastoir, Willem Berkers, Martinus van Bussel, Johannes Knaapen en Marcelis van Bussel, als kerkmeesters van Asten, verkopen aan Casparus Jansen, predikant, geassisteerd met Leendert van Riet, Hendrik van den Bosch en Abraham van Nouhuys, als gecommitteerden van de Gereformeerde Gemeente van Asten een huis, schop, washuis, sacristie, hof en aangelag genaamd de oude Pastoirswoning, nummer 371 1½ lopense. Gelegen in zijn heggen en kerkmuur met de plaats waar te voren de oude kerk gestaan heeft. Zullende de buitenmuur aan de straat en aan de gevel naar het zuidoosten tot aan de heggen van den hof op die hoogte blijven, zoals bij de koop bepaald is. En de verkopers zullen verplicht zijn de muur daar, alwaar de glasramen gestaan hebben, zo hoog, met goede stenen en kalk behoorlijk op te metselen zodat de gehele muur op gelijke hoogte is. Ook zal de poort of ingang van de afgebroken kerk behoorlijk en vast toegemetseld worden tot op de hoogte van de voorschreven muur. De gevel van de afgebroken kerk is onder de koop begrepen en daarom mag daarvan niets afgebroken worden. Het Peelveld aan de Scheepersdijk zal tussen kopers en verkopers half / half worden verdeeld. Koopsom ƒ 1200,-

Met de afbraak van de schuurkerk komt er een einde aan een periode van onderdrukking van de katholieken. Er rest nog steeds een stuk muur aan de Lindestraat met daarin de contouren van de vensters, die herinneren aan deze periode. Hieornder een foto uit 1970 van deze muur en daaronder nog een recente streetview:

01l

01m

Hoe het verder met de schuurkerken en de katholieke kerken is vergaan, wordt nog uiteengezet in het boek van Gerard Rooijakkers[4]:

Ten tijde van de Bataafse Republiek en in de Franse Tijd werden de confessionele confrontaties heftiger, met name ten tijde van de naasting van de oude parochiekerken door katholieken omstreeks 1800. Er kwam formeel een einde aan de schuilkerkenperiode en alle godsdiensten werden toen voor de wet gelijkgesteld. Met de invoering van het koninkrijk der Nederlanden in 1815 bleef dit bestaan. Het betekende overigens nog niet dat er volledige vrijheid van godsdienst was; de overheid bemoeide zich nog met allerlei kerkelijke aangelegenheden, zoals de bouw van kerken die in het algemeen door overheidsambtenaren werd uitgevoerd. In de steden door de stadsarchitect, op het platteland door een ambtenaar van Rijkswaterstaat. Met de grondwetswijziging van 1848 trok de overheid zich verder uit kerkelijke aangelegenheden terug, en kregen kerken volledige zeggenschap over de bouw van hun eigen godshuizen.
Een groot kerkgenootschap als de Rooms-Katholieke Kerk heeft in de loop van de 19e eeuw talloze schuilkerken afgebroken of onherkenbaar verbouwd. Men wilde niet alleen een grotere kerkruimte, maar vooral zichtbaar zijn in de steden en dorpen. Daarvoor werden prominente bouwwerken neergezet met hoge, spitse torens.
In de eerste helft van de 19e eeuw zien we hoe, systematisch voortbouwend op de contrareformatorische idealen en voorschriften uit de 17e, de katholieke kerk nieuwe pastorale en devotionele vormen ontwikkelt. De wortels van de maatschappelijke emancipatie der Meierijse katholieken, resulterend in een verzuilde samenleving van ongeveer 1890 tot 1960, liggen diep in de 18e eeuw.

Samenvattend kunnen we dus stellen dat de schuurkerk van Asten aan de huidige Lindestraat in 1672 werd ingericht in een schuur met een strodak en enkele houten kozijnen, die in het bezit was van de Heeren en Vrouwen van Asten, familieleden van Everard van Doerne. De katholieke pastoors, die in het dorp woonden, hielden er heimelijk hun diensten en de burgers hielden zich over het algemeen rustig ten opzichte van de veelal gereformeerde bestuurders. Toen Bregje van Ghesel in 1734 Vrouwe van Asten werd en het in eigendom kreeg, moesten de katholieke gebruikers huur gaan betalen. Na bijna 100 jaar was de schuurkerk in vervallen staat in 1754 eigendom gekomen van drossaard Jacobus Losecaat.
Omdat de kerk geen luidklokken of horloge mocht hebben, wachtten de katholieke burgers in een nabijgelegen herberg tot de Heilige mis begon. De dichtstbijzijnde herberg bij de schuurkerk aan de Lindestraat was die van de kinderen van der Linden en later van Michiel van der Cruys, gelegen tussen de huidige Logtenstraat en Burgemeester Frenckenstraat.
In 1759 kregen de katholieken door versoepeling van de religieuze belemmeringen voor katholieken de gelegenheid om de schuurkerk te kopen. De kerk kreeg een stenen dak en werd opgeknapt met onder andere ijzeren kozijnen. Petrus Aarts was inmiddels pastoor van Asten en had in 1750 een huis naast de schuurkerk tot pastorie laten verbouwen. In 1775 werd de pastorie eigendom van de katholieke gemeente en volgde nog een opknapbeurt onder auspiciën van de gereformeerden. Na de Franse inval in 1794 kwam er vrijheid van godsdienst en kregen de katholieken hun parochiekerk gelegen op het huidige Koningsplein kort daarna terug. De gereformeerden wilden de schuurkerk niet voor hun diensten huren en in 1805 werd besloten om de schuurkerk af te breken. Alleen de muur van de schuurkerk grenzend aan de Lindestraat bleef bestaan.
De pastorie behorende bij de parochiekerk was nog tot 1807 in handen van de gereformeerden, waar ze ook hun diensten hielden. De oude pastoor van Asten moest voor elke mis een wandeling van 500 meter naar de kerk maken. In 1807 werd de pastorie aan de Lindestraat verkocht aan de gereformeerden met als voorwaarde dat de vensters en poort in de oude kerkmuur werden dichtgemetseld. Zij kerkten voortaan in deze pastorie tot zij in 1825 een nieuwe kerk bouwden iets ten oosten van de voormalige schuurkerk.


Referenties:
  1. De Vrede van Munster (http://theologienet.nl/documenten/MUNSTER,%20vrede%20van.%201648.%20Div.%20Auteurs.pdf)

  2. Wikipedia - Schuilkerk (https://nl.wikipedia.org/wiki/Schuilkerk)

  3. De Zeventiende eeuw, jaargang 13, 1997 (https://www.dbnl.org/tekst/_zev001199701_01/_zev001199701_01_0024.php)

  4. a b c d e f Rituele repertoires in Noord Brabant (https://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/145844/mmubn000001_187378991.pdf)

  5. Groot placaet-boeck de Ordonnantie jegens 't verduysteren der Ornamenten en Kerckelijcke goederen inde Meyerye van 's Hertogen Bosch, 12 12-1651 (https://books.google.nl/books?id=NgHKSLLiP8IC)

  6. a b Kerkelyk plakaat-boek over Resoluties der Staten Generaal (https://books.google.nl/books?id=dORXAAAAcAAJ)

  7. Schuilkerken in het Weerter bos (http://www.showeert.nl/artikelen/5.1%20religie2/schuilkerken-weerter-bos.pdf)

  8. Archiefcollectie van Henk Beijers (http://www.henkbeijersarchiefcollectie.nl/historisch_onderzoek/Kwartiersvergaderingen_stad_meierij/Onthullingen%20vanuit%20de%20plattelandskamer.1.doc)

  9. a b Kerkelyk plakaat-boek (https://books.google.nl/books?id=AuRXAAAAcAAJ)

  10. a b Wetgevende Colleges (https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.01.01.01)

  11. Besluiten der Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen volks, deel 6, 1798 (https://resolver.kb.nl/resolve?urn=dpo:1722:mpeg21)

  12. Besluiten der Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen volks, deel 8, 1798 (https://resolver.kb.nl/resolve?urn=dpo:1724:mpeg21)

  13. a b Geschiedenis van het Bisdom 's Hertogenbosch van 1872 (https://books.google.nl/books?id=9t1aAAAAcAAJ)

  14. Katholyk Meyerysch Memorieboek van 1819 (https://books.google.nl/books?id=r4pQAAAAcAAJ)

  15. Reizen door de Meijerij (http://www.stephanushanewinckel.nl/search/label/Asten)


De meest gebruikte referenties staan in de introductie vermeld
Laatst bijgewerkt op 27 mei 2019, 09:20:26

Heemhuis, Molenstraat 10 Someren, open op dinsdag van 9 tot 12 uur en donderdag van 19 tot 21 uur.
Voor bezoek aan het Archeologiehuis, Molenstraat 14 Someren, dit vragen in het heemhuis.