vonder kop
vonder kop

Selecteer een deel waar je informatie over wil weten


Oostappen en Diesdonk

Een beschrijving over de gehuchten tussen Someren, Asten en Lierop en de middeleeuwse ontginning van een vochtig landschap.

Tussen Someren, Asten en Lierop strekt zich een cultuurlandschap uit met verspreide gehuchten en kleinschalige kampontginningen, afgewisseld met de beekdalen van kleine stroompjes die afwateren op de Aa, zoals de Kleine Aa, Meervensche Loop en Busselsche Loop. De gehuchten gaan terug op middeleeuwse hoeven, die de kleinschalige ontginningen ter hand hebben genomen.

01

De samenstroming van de Astensche Aa in de oude Aa.

Over de ontwikkeling van het hoevenlandschap ten noorden van Someren en rond Lierop zijn we goed geïnformeerd dankzij historisch en historisch-geografisch onderzoek. Een aantal van de gehuchten in dit gebied zijn in feite buurtschappen van Someren. Dat geldt voor Slieven en Vlerken. Deze buurtschappen zijn te herleiden tot hoeven uit de Volle en Late Middeleeuwen. Slieven was een drassig gebied tussen de Kleine Aa en de Aa, dat in de 12e of 13e eeuw werd ontgonnen. De naam verwijst naar de aanwezigheid van een ven. De naam Vlerken komt voor het eerst voor in 1350 als Vladeracken (Vladderakker), hetgeen de aanduiding kan zijn van een moerassig weiland. Ook andere gehuchten, zoals Achterbroek en Groenstraat, refereren aan laatmiddeleeuwse ontginningen van relatief laaggelegen land. Van Groenstraat is bekend dat hier een stuk grond werd ontgonnen in 1445.

Het gehucht Boomen is ouder. Deze buurtschap wordt vermeld in een oorkonde uit 1327, maar er is een verwijzing naar een verdwenen oorkonde uit 1254, waarin de hoeve aan de priorij van Postel (Someren) wordt geschonken. Boomen is thans een beschermde historisch-stedenbouwkundige structuur, al is de relatie met het omliggende landschap door uiteenlopende ontwikkelingen aangetast. De oudste gehuchten rond Lierop zijn waarschijnlijk Moorsel en Hersel. Hoewel archeologisch (nog) niet aangetoond, dateren deze toponiemen wellicht uit de Vroege Middeleeuwen. Ook het toponiem Moorsel verwijst overigens naar de ontginning van een stuk land nabij een moeras. Hersel betekent mogelijk bosachtig moeras. Het beeld dat derhalve uit het historisch onderzoek naar voren komt is dat van een hoevenlandschap tussen de grote dekzandcomplexen van Someren, Asten en Lierop, waarvan de lager gelegen en vochtige gronden nabij de beekdalen, vennen en moerassen in de regel werden ontgonnen gedurende de Volle en Late Middeleeuwen. Lierop zelf is overigens ontstaan als dochternederzetting van Asten. Het dorp heeft zijn kleinschalige karakter in de loop van de eeuwen behouden, en wordt onder meer gekenmerkt door het intacte historische (19e eeuwse) wegenpatroon.
Een fraai complex van kleinere ontginningen wordt gevormd door Moorsel, Heieind en Oeyenbraak ten westen van Lierop. Moorsel ligt aan de rand van een open akkercomplex, dat voorzien is van een omwalling die vermoedelijk dateert uit de Middeleeuwen (1244), toen Maria van Brabant aan de daar wonende broeders een gemeynt schonk. Tevens worden de akkers omzoomd door een begroeiing van zomereik, grove den, met een ondergroei van onder andere vlier en kamperfoelie. Het akkercomplex bevat een ontsluitingsstructuur met zandpaden. De drie gehuchten en bijbehorende ontginningen liggen aan de doorgaande route van Lierop naar Geldrop. Ter plekke splitste zich een route af die door de heide naar Heeze liep. De relicten van deze route, een reeks stuifzandwallen, worden beschreven onder Waardevol Cultuur Landschap. De ontginningscomplexen zijn geassocieerd met deze route.
Het hoevenlandschap zet zich voort ten oosten van de Aa. Hier liggen de gehuchten die behoren tot Asten, zoals Oostappen, Diesdonk (Achterste en Voorste Diesdonk), Bussel, De Beek, Dijk, Vosselen, Laarbroek en het dorp Ommel.

Dit Waardevol Cultureel Landschap biedt wellicht goede ontwikkelingsmogelijkheden voor bepaalde vormen van landbouw. Aansluitend op de landschapsgeschiedenis en kleinschaligheid van de inrichting kan hier bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuw-vestiging van kleinere bedrijven met gemengd grondgebruik. Eventuele nieuw-vestiging van agrarische bedrijven zou hier het historische model van verspreide hoeven kunnen volgen. Landbouw kan in dit Waardevol Cultureel Landschap voorts worden gecombineerd met beheer van bestaande natuurwaarden of (her)ontwikkeling van ecologische waarden. Elders in Nederland vinden we daarvan een goed voorbeeld op het Balloërveld in Drenthe. Extensief gebruik van de beekdalen (beweiding) wordt daar afgewisseld met experimenten met graanverbouw op de dekzandplateaus en beheer en ontwikkeling van historische en ecologische waarden. Toepassing van gemengde landbouw en natuurontwikkeling zou in dit Waardevol Cultureel Landschap het contrast kunnen herstellen tussen hogere, droge delen van het landschap en lagere, natte delen, zoals de kleine beekdalen, laagten en voormalige vennen. Net als in de andere geselecteerde gebieden is ook het contrast tussen de hogere gronden en de beekdalgronden in de 20e eeuw vervaagd. De beekdalen in het gebied vragen hier zeker om een 'revitalisering'.
Algemeen: In het kader van de reconstructie zou kunnen worden onderzocht op welke wijze de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden gebruikt om ook de relatie tussen de gehuchten en de aangrenzende beekdalen en laagten weer te versterken. Daarbij kan worden gedacht aan differentiatie in landgebruik, natuurontwikkeling, herstel van beplanting en hakhoutwallen langs de wegen, herstel van veedriften vanuit de gehuchten naar de beekdalen en van de oude verkeersinfrastructuur door de beekdalen (inclusief oude voorden en bruggen). Dat laatste is belangrijk, omdat grote delen van het landschap door het verdwijnen van de kleinschalige infrastructuur 'ontoegankelijk' zijn geworden voor bewoners en bezoekers. Het herstel van de kleinschalige infrastructuur (in relatie met agrarisch grondgebruik) zou onderwerp kunnen zijn van een Belvedère-aanvraag.
Algemeen: De gehuchten bevatten archeologische waarden die bij ingrepen zorgvuldig moeten worden behandeld. Dat geldt voor archeologische resten onder bolle akkers, maar ook voor overstoven plaggenbodems (Herselse Heide) en afzettingen in de beekdalen. Het spreekt voor zich dat in het geval van natuurontwikkeling en waterberging in het dal van de Aa vooronderzoek een vereiste is.
Specifiek: De overstoven akkers en plaggenbodems op de Herselse Heide zijn een goede aanleiding om ter plaatse informatie te verstrekken over het ontstaan en de geschiedenis van de stuifzandcomplexen in het gebied, alsmede van de kampontginningen die inmiddels onder het stuifzand schuilgaan. Dat zou bijvoorbeeld kunnen met behulp van visualiseringstechnieken in een speciaal daarvoor op te stellen 'tijdvenster', zoals die al enige tijd worden gebruikt in het Belgische Ename. In een tijdvenster kunnen landschapsbeelden worden opgeroepen, die voor de beschouwer 'over' het huidige landschap worden geprojecteerd. Ook kan een stuifzandprofiel met een overstoven akkerlaag worden getoond, of kan een lakprofiel daarvan worden opgenomen in het tijdvenster.
Algemeen: Een geschikt thema voor een erfgoededucatieproject wordt tenslotte gevormd door de geschiedenis van de laatmiddeleeuwse kastelen en hoeven rond Someren. De kasteelterreinen en hoeven kunnen worden opgenomen in een toeristisch-recreatieve route, maar kunnen ook op verschillende manieren worden 'gemarkeerd' (bijvoorbeeld door middel van beplanting en landschapskunst). Aan de locaties van hoeven kunnen de oorspronkelijke namen worden teruggegeven.

Hieronder de kaart van Henricus Hondius uit 1638 van het gebied rondom Asten met tussen de rivieren die vanuit Asten naar Helmond gaan het gebied Oostappen en Diesdonk:

02

Dat de naam Oostappen te maken heeft met het nabijgelegen riviertje de Aa lijdt geen twijfel. De naam was in de 17e eeuw Aastappen en in het plaatselijke dialect wordt de Aa ook wel als een 'o' zoals in het woord 'trom' uitgesproken. In een schepenakte uit het archief uit 1429 van Helmond lezen we: "item noch sal Hogart een mud rogs erfpachts van alsulken drieen mudden alse wilen haer vader geldende hadde aen Art den Wijsen tot Aestappen inder prochie van Asten"
Een 'stap' is een beekovergang in dit geval door de Astense Aa op de grens van de voorste Beersdonk en de gemeente Asten. Men kon ter plaatse de overstap maken via een doorwaadbare plaats in de Astense Aa. Bij dergelijke waterovergangen werden later vonders of schoren aangelegd, kleine houten bruggetjes. De naam ging later over op het gehele Astense gebied ten zuiden van de beek en meer in het bijzonder op de bewoning die daar in de late middeleeuwen rondom de Raayakkers was ontstaan.

Een kaart van het gebied rondom Oostappen gebaseerd op de kadasterkaart uit 1832. Lichtblauw zijn debeemden met grasland langs de oevers van de Aa en Astense Aa, donkerblauw zijn de vennen, groen is bos, paars is heide en geel is zandverstuiving. Niet ingekleurd is het bouwland waar de boeren hun gewassen, zoals boekweit en granen, op verbouwden.

03

Diesdonk is een oude naam, die volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant van 06-06-1934 al in 1414 wordt genoemd op klokken gemaakt door Jan van den Diesdonck. De naam 'donk' betekent een verhoogde zandrug en de naam 'Dies' is vermoedelijk een patroniem van de naam Egidius ofwel Dielis.

Een kaart van het gebied rondom de Diesdonk gebaseerd op de kadasterkaart uit 1832. Lichtblauw zijn de beemden met grasland langs de oevers van de Aa en Astense Aa, donkerblauw zijn de vennen, groen is bos, paars is heide en geel is zandverstuiving. Niet ingekleurd is het bouwland waar de boeren hun gewassen, zoals boekweit en granen, op verbouwden.

04

Op een 18e eeuwse kaart[1] vinden we het gehucht Desdonck terug:

05

In de loop van de middeleeuwen nam de bevolking toe en werd het bodemgebruik intensiever. De bewoning verplaatste zich van de hogere delen van de plateaus naar de randen van de beekdalen, zoals bijvoorbeeld bij Vlierden gebeurde. Nieuwe boerderijen werden gesticht buiten de bestaande dorpen. De boerderijen bij het onderzoeksgebied worden al in de late middeleeuwen genoemd: Stipdonk in 1197, Bussel in 1306, Diesdonk in 1421, Oostappen in 1368 en Beersdonk in 1340. Sommige hoeven werden gespitst, waardoor ze de namen Voorste en Achterste Beersdonk, Voorste en Achterste Diesdonk en Hoog en Laag Oostappen kregen. De oude eikenbossen, die vroeger gebruikt werden om de varkens te weiden, verdwenen geleidelijk om plaats te maken voor akkers en heidevelden. In de beekdalen werd het broekbos omgezet in hooi- en weiland. De inrichting van het landschap, en de manier waarop men het land benutte, sloten nauw aan op de oorspronkelijke terreingesteldheid. De beekdalen waren in gebruik als grasland, de hogere gronden als heide en op de flanken van de beekdalen legden de boeren hun akkers aan. Op de bodemkaart is mooi te zien dat de akkers in een langgerekte strook langs de beekdalen liggen, op de grens van hogere en lagere gronden. Ze zijn echter aangelegd op van nature vrij arme zandgronden. Het grootste probleem was het gebrek aan mest. Rogge wil wel groeien op zandgrond, maar voor een goede opbrengst moet er bemest worden. Aardappelen, die in de 18e eeuw hun intrede deden in de bedrijfsvoering, hadden nog meer mest nodig. Waar moest men in die tijd de voedingsstoffen vandaan halen om de akkers te bemesten? Lange tijd kwamen die van de eigen dieren op het bedrijf. De mest van de dieren werd vermengd met heideplaggen, bladeren en ander organisch materiaal. Dit betekende dat er een delicaat evenwicht was tussen de hoeveelheid bouwland, de hoeveelheid grasland (weiland en hooiland) en het areaal heide. De heide was belangrijk in het systeem. In de eerste plaats omdat men er de schapen liet grazen. 's Nachts werden de schapen in een omheinde ruimte opgesloten, en de mest die ze produceerden werd vermengd met heideplaggen. Zo vormde zich een dikke laag mest, die in het voorjaar naar de akkers werd gebracht, daar werd uitgespreid en door de bodem gewerkt werd. Niet alle boeren in het Brabantse zandgebied hadden echter schapen. De meeste mest werd geproduceerd door koeien, waarvoor een speciaal potstalsysteem was ontwikkeld. De koeien werden zoveel mogelijk op stal gehouden. Een of twee keer per dag mochten ze eruit om te grazen op de graslanden of op de al geoogste akkers. De graslanden in het gebied lagen in de laaggelegen delen van de beekdalen. Hier zorgden de beken voor periodieke bemesting. Ter plaatse van de huidige Sluis 9 in de krant de Zuid-Willemsvaart stond de Stipdonkse watermolen. De molen wordt al genoemd in akten uit 1179 en is daarmee de oudst bekende watermolen van Brabant. De molenstuw zal er vroeger toe hebben bijgedragen dat delen van de beekdalen kortere of langere tijd onder water stonden. Doordat de beken een laagje slib afzetten op het land werden extra voedingsstoffen aan de bodem toegevoegd. Onverdeeld gunstig waren de overstromingen echter niet: zowel de Aa als de Astense Aa transporteerden veel veenwater uit de Peel. Dit water had een lage zuurgraad, waardoor de bodem door de overstromingen kon verzuren.

Hieronder een kaart uit het eind van de 19e eeuw met daarin Laag Oostappen, Hoog Oostappen, De Bus, Voorste Diesdonk en de Achterste Diesdonk:

06


Overige bronnen:
  1. Informatie over Oost Brabant (eindhoven-in-beeld.nl)


De meest gebruikte referenties staan in de introductie vermeld
Laatst bijgewerkt op 3 februari 2018, 18:09:05

Heemkundekring De Vonder Asten-Someren, Molenstraat 10, 5711 EW Someren, tel. 0493-472423
Heemhuis open op dinsdag van 9.00 uur tot 12.00 uur en donderdag van 19.00 uur tot 21.00 uur