Heemkundekring De Vonder Asten-Someren

vonder anbi

Bewoningsgeschiedenis


Selecteer een gehucht waar je informatie over wil weten


Voorwoord Ostade

In dit dorpsdeel wordt de bewoningsgeschiedenis van de buurtschappen Ostade en de Nachtegaal over de 17e tot de 20e eeuw beschreven. Op grond hiervan kunnen we opmaken hoe het landschap en de boerderijen er in die tijd uitzagen, welke families er woonden. Tot 1960 is er wat landschap betreft niet veel veranderd, wel werden betere boerderijnen gebouwd, waarvan enkele daterend uit omstreeks 1800 nog steeds als monumentale boerderij bestaan.

Het waren arme boeren op arme grond met heide, braamstruiken en berkenbossen, waar schapen werden gehouden, een enkele akker voor boekweit of haver en de beemden werden gebruikt voor hooi. De rietgedekte boerderijen waren van het langgeveltype met een woongedeelte en een stal voor enkele koeien en een paard. In de boerderij woonden 10-15 mensen, meestal van drie generaties bij elkaar met dienstmeiden, knechten en schaapsherders.

De boeren trouwden veelal met bekenden uit het buurtschap of uit het nabijgelegen dorp van Asten. Rond 1750 komen er ook huwelijken voor met echtgenoten uit omringende plaatsen zoals Vlierden, Lierop en Someren. In die tijd ontstonden op Ostade ook de buurtschappen de Nachtegaal en Vosselen, waar nieuwe boerderijen werden gebouwd en nieuwe stukken land werden ontgonnen. De namen van deze buurtschappen hebben zeker te maken met de nachtegaal en de vos die een goed tehuis hadden in het landschap van heide en struikgewas.

Grotere veranderingen vonden plaats bij de aanleg van de Zuid-Willemsvaart in 1826, waardoor de bewegingscirkel van de bewoners groter werd en er ook boeren van buiten de Peel kwamen wonen. Echter het boerenbedrijf bleef kleinschalig en het duurde zeker tot in de beginjaren van de 20e eeuw en de daarop volgende ruilverkavelingen vooraleer de moderne tijd ook hier zijn intrede deed.

Toch was er ook een kasteeltje op Ostade, dat in archiefdocumenten regelmatig ter sprake komt en waarvan een naslagwerk aan de hand van A. F. O. van Sasse van Ysselt in Taxandria 33 (1926), pagina 3-7, is verschenen. Dat geeft een mooie kijk in het doen en laten van de bewoners over de 17e tot 20e eeuw. Uit een artikel bij Heemkundekring de Vonder het volgende geciteerd:

Oudtijds had men te Asten behalve het kasteel van dien naam, hetwelk thans eene ruïne is, nog een kasteel, dat aldaar in de buurtschap Ostade stond en waarvan thans geen spoor meer is te ontdekken. Op eene kaart van de provincie Noord-Brabant van 1841 bewerkt door L. van der Voordt Pieck en M. Kuyl vindt men het nog vermeld onder den naam van "het Slotje", doch toen moet het al niet meer hebben bestaan, want niemand weet er zich nog iets meer van te herinneren. Op oude kaarten staat het vermeld naar zijnen vroegeren eigenaar als Joncker Beeck.

Blijkens mededeelingen, welke uit het rijksarchief der voormalige heerlijkheid Asten mij welwillend werden verstrekt door Meester C. Baron van Hövell te Roermond, behoorde het slotje in het begin der 17e eeuw aan Jonker Wouter van Beeck, van wiens familie mij niets anders bekent is dan dat zij tot wapen had, in zilver drie kepers van sabel, en dat voor den toren der Rooms Katholiek kerk te Deursen bij Ravenstein eenen hartsteenen grafzerk van eene van Beeck ligt met acht kwartieren er op uitgebeiteld, die echter zoo afgesleten zijn, dat er niet meer op te zien is, van wie zij waren. Ook is daar nog eene grafzerk, waarop de wapens van van Beeckx van Berckel. Een Wolter van Beeck was gehuwd met A. M. Baacks en een Jan van Beeck met Catharina van Eyndhouts. Genoemde Jonker Wouter van Beeck liet bij zijnen dood eenige kinderen na, onder wie eene dochter Maria, welke in 1633 te Sint Oedenrode gehuwd was met Jonker Godert van der Voort en van haren vader diens te Ostade gelegen onroerende goederen erfde, waaronder "het Slotje". Van welke familie haar man was, is niet meer bekend, denkelijk behoorde hij tot de adellijke familie van der Voort, welke het kasteeltje Aldendriel onder Mill bezat. Maria van Beeck voornoemd stierf in 1656 kinderloos na vooraf ten overstaan van Schepenen van Asten het volgende testamant te hebben gemaakt:

In den naem ons Heere Jesu Christi Amen.
Sy condt ende kennelijck eenen iegelijcken by desen instumente van Testamente hoe dat voor ons ondergeschrevene Schepenen ende secretaris der Grontheerlijckheydt Asten personenlijck en is gecompareert op hede den dartienden dach der maent November XVIC ses en vijftich de Edele Juffrouwe Maria van Beeck tot haeren eygen woonhuyze gestaen binnen Asten ter plaetse genoemt Ostaden sieckelijck sijnde, nochtans haer verstandt ende vijf sinnen wel gebruyckende, soo blyckende was dengenen haer aenschouwende, dewelcke, overpeynsende debroosheyd des menschenlycken levens ende dat de doot seecker is ende de uere derselver onseecker, daeromme wel bedacht wesende ende niet willende uyt dese bedruckte werelt scheyden voor ende alleer van haere tydelycke goederen te hebben gedisponneert heeft geordonneert ende geslooten desen haeren lesten ende uyttersten wille.
Eerstelijck revoceert ende herroept sy Vrouwe testatrice alle maeckselen, testamenten ofte codicillen, donatien ter saecke des doots oft wat naem deselve soude mogen hebben, die sy heir bevorens tsy voor Schepenen ende Secretaris ofte Notarios ende getuygen mocht hebben gemaeckt ter wat plaetse ende ter wat stede het soude moge wesen, deselve mits desen doot ende te niet doende.
Eerstelijck wilt ende begeert sy, testatrice, dat wanneer haer siel uyt haer lichaem sal gescheyden wesen, dat haer lichaem alsdan sal begraven worden inde parochiekercke alhier recht voor de plaetse daer het Lieve Vrouwe hoogaltaer gestaen heeft, alwaer hare voorouders sijn begraven. Ende belangende haere goederen haeflijcken als erfelijck, daervan sy, testatrice, cracht oft macht heeft te disponeeren, soo begeert sy, testatrice, ingeval sy voor haere man, den Edlen Jonker Godert van der Voort, quam aflyvich te worden, dat aen hem sal worden getelt eene somme van vijftienhondert Carolus Gulden innegevolge van de houwelyxe voorwaerden by haer, testatrice ende den voorszegde Jonker gemaeckt, wesende in dato den twelfden dach der maent May XVIC drie en dartich, willende ende begerende, dat den voorszegde Joncker Godert haeren man daermede sal scheyden ende desisteren uyt alle haer, testatrices, goederen sonder meer te derven pretenderende als in de voorszegde houwelyxe voorwaerden is begrepen.
Item maeckt ende legateert sy. testatrice, aen Jonker Hendrick van Boxmeer van Roy eene somme van een hondert ende vijftich Carolus Gulden eens.
Item wilt ende begeert sy. testatrice, dat haere erfgenaemen na haer doot haer, testatrice, sullen doen een eerlycken uytvaert.
Ende belangende alle haer anderen goederen wilt ende begeert sy, testatrice, dat sullen delvolveren op haere naesten bloede, te weeten voor een gerechte vierde part op Joncker Hendrick van Boxmeer ende voor een ander vierde part op Joncker Hendrick ende Juffrouwe Maria, naergelaten kinderen van Joncker Johan van Boxmeer, verweckt by Margerita van Berckel, sijne huysvrouwe ende de andere hellichte op de kinderen ofte kintskindere van Joncker Giulhelmus van Beeck, alsdan in leve sijnde, om per stirpes onder hun te deylen, deselve haere enige erfgenaemen noemende ende instituerende.
Wesende dit haeren uytterste ende leste wille, willende ende begerende, dat sijn volcomen effect sal sorteren niettegenstaende, eenigen solemniteyten, hiertoe gerequireet, niet en waeren geobserveert, deselve alhier houdende voor geinsereert.
Aldus gedaen ende gepasseert op dach en datum voorszegd ten overstaen van Joost Roefs ende Peter Hendrix, schepenen, dese neffens haer testatrice ende my, secretaris, onderteykent hebbende.

Van genoemde erfgenamen van Boxmeer was Henrick, heer van Hurwenen en echtgenoot van Anna van Berckel en was Johan diens neef; de vrouw van dezen was Margaretha van Berckel, de dochter van Hugo van Berckel, schout van Peelland: zij bracht hem ten huwelijk de helft in het goed Ten Houtte onder Sint Oedenrode. Henrick en Johan van Boxmeer voornoemd zullen dan geweest zijn respectievelijk de kleinzoon en zoon van Henrick van Boxmeer en Anna van Boshuysen, wier zuster Maria huwde met Wolfgang Endevoets, die in 1635 het huis Zwanenburg onder Esch kocht, nadat hij van te voren het slotje Emmaus onder Sint Oedenrode had bewoond. Johan van Boxmeer voornoemd had van zijne vrouw Margaretha van Berckel de navolgende kinderen: Hendrick, heer van het Leucker onder Boxmeer en kapitein in dienst van den Koning van Spanje en Maria van Boxmeer, hofdame van prinses Elisabeth van Hohenzollern te Bergen op Zoom die huwde met Joncker Michiel van Eyck tot Overbrugge Gerardszoon. Op welke wijze deze van Boxmeer's aan de erflaatster bestonden is mij evenmin kunnen blijken als de graad van bloedverwantschap waarin haar erfgenaam Guilelmus van Beeck haar bestond.

Over het testament der erflaatster ontstonden geschillen tussen hare erfgenamen en haren man, omdat het in strijd was met de huwelijksvoorwaarden door later met hem opgemaakt, welke geschillen werden beëindigd bij eene dading, waarbij aan hare erfgenamen werden toegekend het Slotje, dat als nu gezegd werd te zijn "seecker adelijck huys, hof, landt, groessen, weyden, heyden, wallen, grachten en de alle de eycke boomen in de dreven ende opte voorszegde. Hare erfgenamen, zijnde Joncker Hendrick van Boxmeer, heer van Hurwenen, Joncker Hendrik van Boxmeer, kapitein, Joncker Michiel van Eyck als man van Maria van Boxmeer, Agnes van Beeck, gewezen chanoinesse van Hooijdonk; de minderjarige kinderen van Joncker Hubertus Firon en diens echtgenoote Anna van Beeck, Joncker Joost Suermondt als man van Wilhelmina Cattenburch, Anna Vaeck, gewezen chanoinesse van Hooijdonk en de minderjarige kinderen van Joncker Johan Suermondt en Maria van Cattenburch, verkochten 17 September 1657 voor Schepenen van Asten het Slotje aan Joncker Christiaan Stockheym van de Hasselhondt. Zijne vrouw was Elsabella Vaeck, welke in 1675 als zijne weduwe optrad. Wat er verder van het Slotje is geworden, blijkt niet meer, behalve dat de weduwe van genoemde Endevoets daarop ook nog pretense erfrechten heeft doen gelden.

Uit Den Uytbeyndel van Heemkundekring Ouwerling van Deurne citeren we het volgende:

Misschien weet U het of misschien ook niet dat Asten vroeger meer dan een kasteel heeft gehad. Behalve het officiële kasteel van Asten, waarvan nu nog de ruïne over is en waar vroeger de heren van Asten huisden, bestond er nog allereerst het goed Ten Perre. Dat werd als "tgoet gehegten den Parre" in het jaar 1381 door Jan van Kuyc aan Gerard van Berckel overgedragen en het is tot het einde van de zestiende eeuw in de leenbrieven en registers beschreven en geboekt als een afzonderlijk leen. Daarnaast stond vroeger in het gehucht Ostaden nog een adellijk huis, waarvan ook al lang geen spoor meer valt te ontdekken, maar waaraan gelukkig nog de herinnering wordt bewaard door de straatnaam Slotweg. Op een kaart uit 1814 vindt men nog vermeld onder de naam "het Slotje" en op oudere kaarten staat het vermeld onder de naam van zijn vroegere eigenaar "Joncker Beeck". A.F.O. van Sasse van Ysselt zocht al het een en ander uit over dit slotje, dat hij in het tijdschrift Taxandria publiceerde, maar hij behandelde slechts een korte periode en wel de zeventiende eeuw voor 1657 en eindigde met: "Wat er verder van het slotje is geworden blijkt niet meer". Wat al bekend was. Over wat hij al van het slotje wist te vertellen ga ik hier maar kort even op in. In het begin van de zeventiende eeuw behoorde het aan jonkheer Wouter van Beeck, die bij zijn dood enkele kinderen naliet, onder wie een dochter Maria. Zij trouwde in 1633 in Sint Oedenrode met jonkheer Godert van der Voort en erfde de onroerende goederen van haar vader die op Ostaden gelegen waren, waar onder het slotje. Maria overleed in 1656 kinderloos na vooraf ten overstaan van de schepenen van Asten een testament tot ha eren eygen woonhuyze, gestaen binnen Asten ter plaetse genoempt Ostaden te hebben gemaakt. Over dat testament ontstonden geschillen tussen haar erfgenamen, leden van de familie Van Boxmeer, en haar man, maar uiteindelijk werd het slotje aan haar erfgenamen toegekend. Het werd toen omschreven als seecker adelyck huys, hof, landt, groesen, heyden, wallen, grachten ende alle de eycke boomen in de dreven ende opte voorszeide A. F. O. van Sasse van Ysselt wist tot slot te vertellen, dat de erfgenamen op 17 september 1657 het slotje verkochten aan jonkheer Christiaen Stockheym van den Hasselholt, die met Isabella Vaeck was gehuwd, welke in 1675 als zijn weduwe optrad.

Nog in 1688 duikt een Joncker Stockheim op in de ligger van de landerijen en in de lijst van bezaaide landen, die 23 lopensen en 16 roeden aan landbouwgrond bezat, gelegen op Ostaden, welke door Daendel Lomans gebruikt werd en grotendeels bezaaid was met rogge. Deze eigenaar Joncker Stockheim was wellicht een nazaat van genoemde Christiaan Stockheym en uit latere stukken blijkt dat het hier om gronden van het Slotje gaat. In 1709 blijkt hij overleden te zijn, want dan is zijn weduwe eigenaar van gronden, die door Marcelis Peeters Coolen gebruikt werden en bij verkoop in september 1727 grotendeels gekocht werden. Marcelis Peeters heeft toen wellicht ook het Slotje gekocht, want in de verpondingsquohieren van 1736 wordt hij tenminste als eigenaar van het huys, hoff en aangelagh het Slootje vermeld. Hij is er tot zijn dood in 1752 eigenaar van gebleven en bij deling op 1 maart 1753 werd zijn zoon Tomas Marcelis Coolen de volgende bezitter van het Slootje. Dit huis stelde toen al niet veel bijzonders meer voor want het sprong er in de specifiecque leyst van huizen in 1748 tenminste niet meer uit. Ostaden werd toen omschreven als een gehucht dat bestond uit twintig huizen met neere off beeste stalle, alsmede tien schuren en een bloot vervalle huyske. In het begin woonde Tomas Coolen nog wel zelf op het Slotje, dat in de huizenlijsten steeds onder Ostaden 9 vermeld wordt, maar later werd het achtereenvolgens bewoond in 1766 door Jan van der Sande en in 1776 door Marcelis Coppens. Toch werd het in de verpondingsleggers van 1753 en later nog omschreven als het Slootje huys, hoff en aangelag in sijn gragte. Toen in 1784 Tomas Coolen overleed, kwam het bezit voor de ene helft aan zijn weduwe Sophia Hoefnagels en de andere helft aan zijn vijf kinderen en bij het overlijden van de weduwe in 1793 werd alles onder de kinderen verdeeld. De derde zoon Francis Thomas Coolen kreeg een huys, schuur, stallinge, schop, hof en aangelag, geleegen alhier, genaamt het Slootje en een aantal stukken grond, waaronder een genoemd Slootjensveltje.

Door de eigenaars na te gaan tot laatstgenoemd jaar toe was het mogelijk de plek te lokaliseren waar het slotje precies gestaan heeft. In 1832 en de jaren daarvoor zijn namelijk voor het eerst alle gronden en gebouwen opgemeten en in kaart gebracht. Het huis van Francis Coolen was gelegen op sectie F nummer 210. Bij het bestuderen van die eerste kadastrale kaart valt de merkwaardige vorm van verschillende stukken grond rond het huis op. Het huis is later afgebroken. De plek waar dat en dus het Slotje gestaan heeft is te vinden aan de thans gedeeltelijk afgesloten Slotweg in de wei tegenover het bosje dat weer achter de Jan-Paagman-Sterrenwacht ligt. Zo direct herinnert daar niets aan dit eens adellijke huis en dreven. Misschien levert archeologisch onderzoek nog wat op met zijn gracht en wallen.

We moeten ons overigens niet al te veel voorstellen van het Slotje. In oudere werken, zoals dat van Philips baron van Leefdael (1645) en van A. C. Bock (1815), waarin allicht aan edelmanswoningen aandacht wordt besteed, wordt het niet eens genoemd. Zeker vanaf het einde van de achttiende eeuw werd het voortaan bewoond door pachters, die het als boerderij gebruikten. Het is verder opvallend dat geen van de adellijke eigenaars in de diverse overlijdens- en begraafregisters van Asten vanaf 1659 voorkomen. Zij woonden dus elders. Interessant is in ieder geval wel na te gaan hoe oud het was. Tot nu toe dateren de eerste vermeldingen nog steeds uit het begin van de zeventiende eeuw, maar ongetwijfeld is het ouder. Verder speurwerk in de archieven en in de grond maken daarover misschien nog eens iets duidelijker.

Hieronder een kaart uit het einde van de 19e eeuw van Ostade en de Nachtegaal:


De meest gebruikte referenties staan in de introductie vermeld
Laatst bijgewerkt op 23 december 2017, 20:14:48
Heemkundekring De Vonder Asten-Someren Molenstraat 10 5711 EW  Someren tel. 0493-472423
ADM
werk in uitvoering
XS SM MD LG XL
Openingstijden van het heemhuis: dinsdag van 9 tot 12 en donderdag van 19 tot 21 uur