vonder kop
vonder kop

Selecteer een deel waar je informatie over wil weten


Peel

Volgens wikipedia kan de oorsprong van de naam Peel worden toegeschreven aan het Latijnse woord voor moeras al wordt ook een verklaring dat het te maken heeft met het woord Pael niet uitgesloten:

De naam van de streek is vanaf het jaar 1100 in geschriften te vinden onder andere in de vormen Pedelo, Pedel, Pedele, en Pedelant. Deze streeknaam koppelt men gewoonlijk aan het Latijnse woord palus, hetgeen moeras betekent. De Hoge Venen in België heetten namelijk het Alto Palus en de Peel zelf werd aangeduid als Locus Paludosus, ofwel een moerassige plek. Voor die verklaring is dus zeker wat te zeggen, maar er is nog een andere mogelijkheid die minder vaak wordt genoemd. Het woord Pael stond voor een grens of grenspaal en kwam veel voor in plaats- en veldnamen. Het was gebruikelijk om de delen van dorpsmarken of gemeynten, die langs een grens lagen aan te duiden als Pael of Peel. Zo wijst ook bijvoorbeeld de naam van het buurtje de Peeleik, vroeger Paeleyk, bij Brouwhuis op de ligging aan de overzijde van een grens.

De Peel, in het Latijn genoemd als Pedel, komt in het Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312[1], regelmatig voor. Zo is er een tekst uit 1192 waarin de rechten van de abdij van Echternach op de Peel worden verdedigd en een uit 1229 waarin de voogdij over de Peel bij de graaf van Gelre ligt.

01

De meest uitmuntenden zondigden tegen de glorieuze keizer van de Romeinen, Augustus en tegen hun heer Henricus, de bisschop de meest nederige van Echternach van de congregatie, die met zijn ministeriële taken altijd nauw met de kerk verbonden was, en tegen alle burgers die blij waren met de overwinning op de vijand eeuwig bijgestaan door God de Vader voor redding en heerlijkheid.
Om nog maar te zwijgen over de stad Antwerpen, of andere steden of dorpen met namen, of de leider van Brabant of de graaf van Gelre of overigen die hun waardigheid in Taxandrië, in de Peel en in Batavië naar hun hand willen zetten. Kortom dat wij hebben gedacht dat het gepast is dat uwe hoogheid iets laat zien.

02

Hendrik, aartsbisschop van Keulen, laat weten aan Ferdinand, graaf van Vlaanderen, dat Gerard, graaf van Gelre, het graafschap van de Kempen en de voogdij van de Peel van het aartsbisdom in leen houdt, en verzoekt hem de graaf van Gelre in zijn rechten te handhaven. Datum februari 1229.

De Peutingerkaart, genoemd naar de verzamelaar Konrad Peutinger die ze in 1508 verwierf, werd in de 12e of 13e eeuw gemaakt naar voorbeeld van een 3e eeuwse wegenkaart. Het is een langgerekte kaart van ongeveer 7 meter lang, gevouwen in delen. Rome, uiteraard het centrum van de wereld, ligt in het midden van de smalle reep. Op dit fragment zien we bovenaan Rijn en Maas met van links naar rechts Noviomagi (Nijmegen), Ceuclum (Cuyk), Blariaco (Blerick), Catualium (Heel), Feresne (Dilsen) en Atuaca (Tongeren). Tussen Blerick en Heel moeten we dan de Peel lokaliseren.

03

De Peel is ontstaan na de laatste ijstijd, zoals uit onderstaand geschrift[2][3] blijkt:

Ooit maakte de Groote Peel deel uit van een veel groter veencomplex dat zich uitstrekte over 30.000 hectare. Dit veengebied vindt haar oorsprong in en na de IJstijden. Het noordelijke Peelgebied, met de Deurnese Peel en de Mariapeel, ligt op de Peelhorst. Een horst is een geologisch stijgingsgebied. De Groote Peel, die ten zuiden van deze gebieden ligt, ligt juist in het dalingsgebied van de Roerdalslenk. Tussen beide gebieden loopt een geologische storing, de Peelrandbreuk. De Peelrandbreuk is een actieve breuk in de aarde waarlangs zich af en toe aardbevingen voordoen, zoals op 14 april 1992. Daarbij worden de gebeiden aan weerszijden van de breuk opgeheven of juist naar onder gedrukt. Zo ’n breuklijn vormt een barrière voor het grondwater, dat hier dus opkwelt. Daarvoor zijn wel waterondoorlatende lagen nodig. Deze liggen in de Deurnese en Mariapeel op 30 meter onder het maaiveld, maar zijn in de Groote Peel tot 300 meter diepte weggezakt.

04

Tijdens de laatste IJstijd bestond de ondergrond van de Peel uit grind, zand en klei die door de Maas en de Rijn waren afgezet. Vanuit de Noordzee werden dikke pakketten dekzand naar de Peel geblazen, waardoor de hoogteverschillen tussen de horst en de slenk genivelleerd werden. De verstuiving van het dekzand leidde echter weer tot een onregelmatig oppervlaktepatroon van slenken en ruggen. Na de IJstijd stagneerde hierdoor de afwatering en ontstonden tussen de zandruggen kleine stukjes veen. De waterplassen begroeiden eerst met waterplanten en toen ze eenmaal verland waren, gingen er bovenop riet en allerlei soorten zeggen en biezen groeien. Toen het eenmaal droog genoeg was geworden, begon ook hier en daar bos te groeien, met soorten als zwarte els, zachte berk en wilgen. In het van nature zure en voedselarme systeem ging de afbraak van de plantenresten slechts heel langzaam, waardoor zich een veenpakket ophoopte. Toen het veen de bovenkant van het grondwater bereikt had, stagneerde de veenvorming. Later ging deze toch weer voort doordat er zich veenmossen vestigden. Deze kleine plantjes hebben in hun bladeren holle ruimtes waarin ze water opslaan. Daardoor verzorgen ze hun eigen watervoorziening en kunnen daardoor boven de grondwaterspiegel uitgroeien. Ze overgroeiden na verloop van tijd zelfs de zandruggen tussen de plassen, waardoor er een egaal veenmosdek ontstond. De Peel verhief zich hierdoor in een soort bolvorm boven haar omgeving. De opbouw van het veen is nog herkenbaar in de afzonderlijke lagen. Van onder naar boven zijn dit het veen op de meerbodem, het riet-, bies- of zeggenveen, het bos- of broekveen, het zwartveen, dat ook wel oud veenmosveen wordt genoemd, het jong veenmosveen of witveen en daarboven het nog levende hoogveen. Het veenpakket wat in 10.000 jaar na de laatste IJstijd is gevormd heeft hierdoor een dikte van zes tot acht meter bereikt.

Vanaf de middeleeuwen staken de bewoners turf, dat als brandstof werd gebruikt. De Peel was destijds een ondoordringbaar gebied en er zijn ook veenlijken gevonden en resten uit de Romeinse tijd waaronder een gouden helm.

05
06

Onderstaande kaart van de Peel uit 1570[4] geeft een goed beeld met de plaatsnamen, zoals we die nu veelal nog kennen:

07

In het rechterlijk archief van Asten wordt de Peel al vanaf het begin van de 17e eeuw genoemd:

Asten Rechterlijk Archief 67a folio 108 verso; 12-09-1616:
Wij schepenen bekennen dat wij hebben aengemeten de Peel die, met consent van den Heer van Asten, verkocht is aan Andries Reynen de dato 02-06-1606. Koopsom ƒ 30,- die hem gekort zijn op zijn intrest op het Dorp zijnde ƒ 21,- per jaar. De gemeten en afgepaalde oppervlakte is 2 lopense.

Asten Rechterlijk Archief 33-52; 14-11-1629:
Alsoo Peeter Driessen, scheper, ten huyse Mathijs Thijsse, op den 15 october laatstleden directelijck tegens den overwech alhier, hem vervoirdert heeft in de Peel vuer te dragen dwelck bij den voorschreven cuerboeck verboeden is op eene pene van neghen guldens. Om tot welcken peen te geraecken heeft die schoutet aen die voorschreven Mathijs, sijnen meester, doen richten aen de penningen van sijnen salaris ende arbeytsloon. Om deze niet uit te reiken dit op peen van dobbel verbeuren.

Op de zandgronden rondom de Peel werd door boeren het gemengd bedrijf uitgevoerd. Men bezat beemdgronden met struikgewas en hooi voor het vee, akkers voor graangewassen als tarwe, rogge en veelal boekweit en de heiden voor plaggen, schapen en bijenkorven. Veelal waren het keuterboeren die een stuk land hadden gepacht van een edelman of grote boer. In ruil daarvoor moesten ze allerlei klussen opknappen en in de regel waren ze arm. Ze probeerden op allerlei manieren bij te verdienen, zoals met klompen maken, manden vlechten of leerlooien. In de Peel zelf werd voornamelijk naar turf gezocht die werd gebruikt voor verbetering van de akkerbouwgronden met plaggen en strooisel, als brandstof voor het verwarmen van het huis en voor de bereiding van voedsel.

De Peel was ook veelvuldig een bron van grensgeschillen en in 1716 besloot de koning van Pruisen dat een deel van de Peel werd overgedragen van Brabant naar Opper-Gelre. Het aanpassen van de grens ging gepaard met een grote militaire operatie en gewelddadige gebeurtenissen. Onderstaand artikel van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven geeft een beeld over het vastleggen van de grenzen.

De Peel was, ondanks zijn zompigheid, een goudmijn van turf, heiplaggen en strooisel. En ook de koeien, ossen, paarden en schapen konden er weiden. De Peel vormde de grens tussen plaatsen als Deurne en Venray, Asten en Meijel en was dus niet alleen een dorpsgrens maar ook een landsgrens. Die van de ene kant schroomden niet om de andere kant te benutten. Dat gaf veel geruzie tussen de dorpen. Venray en Meijel behoorden tot het gebied van de koning van Pruisen en die vond het in 1713 welletjes met al dat getwist over de grenzen in de Peel. Hij liet uitgebreid onderzoek doen naar de oude grenspunten om met de Staten-Generaal, de baas over de Brabantse kant, te kunnen onderhandelen over een definitieve grens om voorgoed te eyndighen dese dispuyten ende verouderde strijdigheden. Op 20 november 1716 was het zo ver dat in Venlo wederzijds de overeenkomst hierover kon worden ondertekend: het Tractaat van Venlo.
Een essentieel onderdeel van het Tractaat is een wandgrote kaart van de Peel[erfgoedgeowiki] met de vastgelegde grens en een uitleg van de verschillende grenspunten. Die kaart hangt sinds de ingebruikname van het vernieuwde gemeentehuis van Deurne in 1986 te pronken in één van de commissiekamers.

08

Veel grenzen tussen gemeenten zijn bepaald door natuurlijke elementen. De grens tussen Asten en Deurne werd tot 1996 gevormd door de Astense Aa en de grote Aa was eeuwenlang de grens tussen Someren en Asten. De Peel was ook een natuurlijke barrière, maar met een heel andere breedte dan stroompjes als de Aa en de Astense Aa. In opdracht van de Pruisische koning en de Staten-Generaal en voorzien van de verzamelde informatie over de oude grenspunten werd gezocht naar plaatsen in den Peel alwaer iets remerkabels te zien was. Die remerkabele punten waren als vanzelf herkenbaar als grenspunt en dat kon nog eens benadrukt worden door er een grenspaal bij te plaatsen. Zo’n paal kwam natuurlijk ook te staan op punten waar niets merkwaardigs te zien was.
In het Tractaat van Venlo kwamen Wilhelm Frederich Duncker en Frederich Otto de Saint Paul namens Pruisen en Daniël l’Estevenon en Adriaen Velters namens de Verenigde Nederlanden de volgende grenspunten overeen.
Tussen Loeff en Springelbeeck moest op kosten van beide landen een steen geplaatst worden die sal dienen tot een altijt duerende punct, alwaer het Lande van Gelder moet eyndigen met het Landt van Brabandt. Om de intentie van de overeenkomst nog wat meer kleur te geven, kreeg die grenspaal de naam Vreedepaal. Vandaar gaat de grens in rechte linie naar grenspunt de Langerijser. De grens zelf zal door Bakel en Venray moeten worden omgezet in een sloot. Dan gaat het naar Grotenberg, waar ook een paal geplaatst zal worden met aan de ene kant de naam Geldria en aan de andere kant Brabantia. Het graven van de grenssloot tussen de Langerijser en de Grotenbergpaal was een klus voor Deurne en Venray. De Grotenberg mocht daarbij niet doorgraven worden.
In zuidelijke richting loopt de grens dan naar een volgend remerkabel punt Vossehollen. Ook voor die lijn wordt Deurne en Venray opgedragen een sloot te graven. We zijn dan in de buurt van de grens tussen Deurne met Horst en Sevenum. De grens van de Vossenberg naar het zuidelijkste punt bij het Volckmeer wordt geprojecteerd tussen de twee Brunne Meeren, het Soemeer en het Broemeer. De wederzijdse gemeenten, Deursen ende Liessel en Horst en Sevenum, zijn verantwoordelijk voor het graven van de grenssloten. Op het leste punt van Brabandt naer het Landt van Gelder komt de stenen Eyndepaal te staan. Van daar uit ging het in een rechte lijn naar de Willibrordusput[deurnewiki.nl], die de grens met Meijel vormde.

De Willibrordusput werd in 1325 voor het eerst vermeld bij de uitgifte van de gemeenschappelijke gronden door de hertog van Brabant aan de inwoners van Deurne, terwijl het in 1367 genoemd werd als grenspunt van de gemene gronden van de inwoners van Asten gelegen op Luttel Meijel. Het is nog steeds het grenspunt van de gemeente Deurne, Asten en Meijel, was vroeger dat van de vorstendommen Brabant en Horne en tegenwoordig van de provincies Noord-Brabant en Limburg. In 1548 werd bij Sint Wilbordts Putte staende in seecker velt bij eene eycke tussen Meijel, Deurne en Asten een grenssteen geplaatst, welke in 1761 vervangen werd door een van Naamse steen, die aan de ene zijde de leeuw van de Zeven Geünieerde Provinciën draagt, waartoe Brabant behoorde en aan de andere zijde de Oostenrijkse adelaar van Opper-Gelre, waartoe Meijel toen behoorde, waarvan men nu nog een replica aantreft. Rond 1900 vond men de bron opnieuw terug, waaromheen toen op initiatief van de Meijelse pastoor Wouters de nog bestaande put met dak is gebouwd.

09

Over de grens tussen Asten, Meijel en Nederweert lezen we het volgende[5]:

Nu is de grens door De Groote Peel tussen Noord-Brabant en Limburg één rechte lijn, het Bescheid of de Astense Moostscheiding. De lijn loopt van Hugten door de Peel naar de Sint Willibrordusput. Vóór 1754 was de grens niet een rechte lijn. Een driehoek met het zuidelijke grenspunt Amslo, in 1367 opgenomen in de beschrijving van de Astense grens, hoorde tot Asten. Nederweert en Meijel waren het midden 18e eeuw niet eens met dit grenspunt. Op 30 oktober 1754 kwamen prins Karel van Lotharingen van Oostenrijks-Gelderland en de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden overeen dat de driehoek niet meer tot Asten hoorde, maar tot Nederweert en was de grens door de Astense en Ospelse Peel één rechte lijn.

Hieronder een kaart uit 1701 met daarin nog de vage grens tussen het hertogdom Brabant en Gelre:

10

Het eerste krantenartikel waar we de naam Peel in combinatie met Asten tegenkomen is in de Rotterdamsche courant van 04-06-1793, waarin de heren van Asten hun Kasteel verhuren:

11

Eind 18e eeuw werd al over de Peel geschreven en een van de verhalen die bewaard zijn gebleven, is dat van de Jean Francois Thys (1749-1824) bekend als priester Isfridus:

Isfridus Thys was kanunnik van de abdij van Tongerlo en van juni 1785 tot september 1789 kapelaan van Mierlo. Tijdens zijn verblijf in Mierlo werd hij uitgedaagd naar aanleiding van een prijsvraag, die door eenige welmeynende vrienden van de Meierij van ‘s-Hertogenbosch was uitgeschreven met voor de winnaar 30 gouden dukaten. Brabant had overvloedig woeste gronden, zoals de uitgestrekte heiden en de Peel. Van deelnemers aan de prijsvraag werd verwacht dat zij met ideeën kwamen hoe die gebieden ontgonnen konden worden en hoe ze van meer nut zouden kunnen zijn. Thys schreef in 1788 zijn ‘Memorie of vertoog over het uytgeven en tot culture brengen der vage en inculte gronden in de Meyerye van ’s Hertogenbosch’. Vier jaar later werd zijn werk in een 430 bladzijden tellend boek uitgegeven. Ook al won Thys niet de eerste prijs, hij werd tweede, zijn geschrift behoort tot de beste verhandelingen uit de achttiende eeuw over ontginning en bodemverbetering.

12
13

In de inleiding op zijn vertoog gaat Thys uitgebreid in op hoe naar zijn mening de Peel is ontstaan en hij haalt hierbij meningen aan van andere schrijvers, zoals Jacob van Oudenhoven en Grammaye. Terecht schaart hij de Peel onder de moerassen die plaetzen welke door menschen en beesten dikwils ongankbaer zijn. Maar net als van Oudenhoven vindt Thys een moeras als de Peel nuttig voor de omliggende dorpsbewoners vanwege het moer, de turf. Dat moer is volgens Grammaye een spongieuse materie van alderley afschaefsel of afsnijttsel van hout dat in water ligt te verrotten en tot eenen kloemp is samengedrukt.
Die spons is op vele plaatsen wel meer dan 5 meter dik en er liggen hele bomen in. Met dat verrot plantenmateriaal hadden ze het natuurlijk bij het rechte eind. Nu weten we door onderzoek van biologen veel en veel meer dan in de tijd van Thys, van Oudenhoven en Grammaye over de planten die het Peelmoeras gemaakt hebben. De voornaamste veenvormers zijn de diverse veenmossoorten. Die moeten bij de schrijvers onbekend zijn geweest, want in hun schrijfsels kom je ze niet tegen.
Zij schrijven het rottende plantenmateriaal toe aan bomen en hun takken en bladeren. Door een overstroming in oude tijden, de Cimbersche Diluvie, zijn die bomen massaal omgegaan en in het water terecht gekomen. Het oneyndelijk gewelt van deze boomstortinge werd een handje geholpen door een noordwesten wind, want alle de toppen liggen naer den Zuyd-oosten. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond, dat die bomen niet zijn omgegaan door een zondvloed, maar dat ze het loodje gelegd hebben, doordat ze niet tegen de zure aard van het Peelveen konden. Een klein plantje als het veenmos, was in die omstandigheden sterker dan al die woudreuzen.
Thys onderbouwt zijn mening over de rottende bomen als oorzaak van het ontstaan van de Peel met een voorbeeld dat eenieder met eigen ogen kan zien. In sloten in oude bossen is ook een soort moer ontstaan. In die sloten zijn volop boombladeren en dorre takken terechtgekomen, die door de vogtigheyd, daer vergadert, verrotten en verder met het gras of andere gewassen gemengeld moer worden. Als die sloten niet geschoond worden, komt dat moer op den duur op gelijke hoogte met de grond om de sloot.
In zijn beschouwing over het ontstaan van de Peel gaat Thys ook in op de veronderstelling van van Oudenhoven dat ooit de zee tot aan Tongeren kwam. Thys gelooft daar niets van. Inmiddels weten we door onderzoek door Noud Peters en Theo Lammers bij de Hoogdonk in Liessel, dat miljoenen jaren geleden die zee er wel degelijk was.

Hoe het met het kleinschalig turfsteken in de Peel toeging, citeren we uit het cultuurhistorisch rapport van Saspeelland over de Groote Peel:

De Peel behoorde tot de gemene gronden van Asten. Astenaren hadden het voortdurend gebruiksrecht op de Peel gekregen van hun heer. In de Astense keuren en breuken, de dorpsreglementen, was het gebruik van de Peel geregeld om te zorgen dat die niet zou verrommelen. Het dorpsreglement werd vanaf de Late Middeleeuwen jaarlijks door alle Astenaren vastgesteld. Omdat het grootste gedeelte van de Astense gemene gronden uit Peel bestond gaan de meeste regeltjes in de keuren en breuken ook over de Peel. Twee Peelmeesters zagen toe, dat die regels gerespecteerd werden. Aan elk huis in Asten was een turfveld verbonden. Die velden werden jaarlijks uitgegeven door de schepenen van het dorp. Vanuit Heusden liep een stelsel van Peelbanen de Peel in. Links en rechts van een Peelbaan lagen ongeveer 10 tot 20 turfvelden. Een baan kon pas weggegraven worden als in dat deel alle turfvelden waren uytgetorffd. Om iedere gerechtigde goed bij zijn turfveld te kunnen laten komen, werden de (hoofd)banen regelmatig voorzien van zand. De meeste banen hadden een eigen naam. Een bewaard gebleven register somt ze als volgt op:

# Naam van de Peelbaan # Naam van de Peelbaan
1 Weerter Baan 17 Tweede Baan agter de Meyte off wel die volgt op de Vosselse baan
2 Eerste Baan naast Weerter Baan
3 Baan naast voorige 18 De eerste Dwarsbaan, agter de agterste Meyte
4 Scheurkens baan off Heusdense Baan 19 Leeg baanke regt tegenover de agterste Meyte
5 Bortel Baan 20 De Verloore brootsbaan agter de Santschil
6 Leege Baan 21 De regte Piers baan
7 Sloots baan off voor de graaff 22 De regte gevlogte Baan
8 Kreekelbaan off na de graaff 23 De eerste na de vossehoole
9 Oude Scheltorffbaan of tweede agter witte berg 24 De tweede na de vossehoole
10 Eerste agter witte berg 25 De tweede buytense Reijter baan
11 Regte Veluwse baan 26 De Regte Reijter baan
12 Wammes Baan 27 De Hemelse baan
13 Regte Vaal Baan 28 De eerste hemelse Baan
14 Middelste Meyte Baan (aan dese Zijdelbaan) 29 Het Eeuwig Leven
15 De Regte Hontspeelse off Dijker baan 30 Nieuwe baan tusse de Veluse en de Wannes baan
16 Vosselse Baan (in de honspeel) 31 Zijdel baan aan de Middelste Meijte baan na de zijde van Weert

14

Ook al hadden de Astenaren het alleenrecht gekregen op hun Peel, om strategische redenen liet het dorpsbestuur het onder voorwaarden toe dat inwoners van Deurne (Heitrak en Moostdijk) en van Meijel delen van de Astense Peel mochten gebruiken. Het bestuur verantwoordde zich met de motivering dat hun Peel zo groot was, dat de Astenaren er niet onder leden als buytengesetenen er gebruik van maakten en dat in de verafgelegen delen toezicht moeilijk was.

Tot aan de grote ontginningen stond de Peel vooral bekend als jachtgebied op patrijzen, hazen en waterwild. De grootste vervening van de Peel startte in 1853 door Jan van de Griendt en in 1885 werd door zijn zoon Eduard een turfstrooiselfabriek opgericht. Omstreeks 1912 was de veenvoorraad grotendeels uitgeput en na een korte opleving tijdens de Eerste Wereldoorlog stopte de productie in 1919.

15
16

Het gebruik van de Peel veranderde in 1889 drastisch. Enkele jaren voordien is ontdekt dat het grauwveen gebruikt kan worden om er turfstrooisel van te maken. Dat strooisel is door de eigenschap om goed vocht op te kunnen nemen, zeer geschikt voor gebruik in de paardenstallen van legers en trammaatschappijen. De Maatschappij Griendtsveen van de familie Van de Griendt, die in Griendtsveen al turfstrooisel produceert, betaalt de gemeente Asten een flink bedrag om dat ook in de Astense Peel te kunnen doen. Voor het vervoer van het turfstrooisel heeft de gemeente Asten vanuit de Peel een kanaal naar de Zuid-Willemsvaart ten noorden van sluis 13 laten graven, het Peelkanaal. Dit loopt voornamelijk over grondgebied van de gemeente Someren. In 1890 komt via een sluis de aansluiting met de Zuid-Willemsvaart tot stand. Teugelders laten hun paarden de turfschepen door de kanalen trekken. Het Peelkanaal doorsnijdt de Weerterbaan en een pontje zorgt voor de oeververbinding. De Maatschappij Griendtsveen start haar grootschalige vervening in 1889. De veenarbeiders komen onder andere uit de veenkoloniën in het noorden van Nederland. In eerste instantie worden ze ondergebracht in een keet tussen de Weerterbaan en Achterbergsebaan, omdat de gemeente Asten niet toestaat dat ze zich vestigen in de gemeente. Op Limburgs grondgebied tegen het concessiegebied aan ontstaat de kleine veenkolonie De Moost en omstreeks 1900 werken 600 tot 700 werknemers van de Maatschappij in de Astense Peel.
Aan het begin van het Peelkanaal bouwt het bedrijf een kantoor en een schuur. Een drijvende turfstrooiselfabriek verwerkt vanaf 11 september 1890 het grauwveen tot turfstrooisel. In 1896 wordt een vaste turfstrooiselfabriek gebouwd.

17

Turfvoorraden van de Maatschappij Griendtsveen aan het begin van het Peelkanaal met op de achtergrond het kantoor.

18

Beide fabrieken raken buiten bedrijf door branden; de drijvende in 1904 en de vaste in 1912. Herbouw is er niet meer bij. Het grauwveen is op en de Maatschappij richt zich op het winnen van zwartveen en het aantal werknemers is dan teruggelopen tot maximaal 300. Door fusies verandert de naam van de Maatschappij regelmatig. In 1893 wordt het de Griendtsveen Mosslitter Company Limited, in 1907 de Maatschappij Van de Griendts Landexploitatie. In het concessiegebied legt het bedrijf een stelsel van Peelvaarten aan. Vanaf de 1e en 2e Hoofdvaart, die bij de turfstrooiselfabriek in het Peelkanaal uitkomen, lopen enkele tientallen zijvaartjes de veenderij in. De vaartjes zijn 80 centimeter diep en zijn gegraven op een afstand van 200 meter van elkaar. Ze worden aangeduid met opeenvolgende nummers, zoals de eerste vaart en de tiende vaart. Al snel na de oorlog verminderde het gebruik van het kanaal zodanig, dat demping ervan als extra project in de ruilverkaveling Sluis XIII werd opgenomen.

De Peel is een omvangrijk gebied en is vrijwel even groot als het noordelijk gelegen van oudsher bewoonde gebied van Asten. Om die reden is het gebied opgedeeld in 8 woonkernen te weten:
Hutten, Kleine Heitrak, de Bus, Peel Noord, Meijelscheweg, Peel Zuid, Hoogenbergen, Sengersbroek.
Sommige van deze kernen zoals Sengersbroek, de Bus, Kleine Heitrak en Hutten waren al aan het begin van de 19e eeuw bewoond, maar de grootste toename in bewoning vond toch plaats na 1850 en 1930. Op de onderstaande topografische kaarten van de Peel van 1875, 1910, 1940 en 1980 zijn deze ontwikkelingen goed te zien:

19
20
21
22

In 1870 is er alleen linksmidden op de kaart bij de Behelp en rechtsboven bij de Heitrak sprake van ontginning. De kaart van 1910 toont de grote ontginningsprojecten in het zuiden van de Peel en de gehuchten Hutten en Kleine Heitrak staan op de kaart. In de periode 1910-1940 vinden de grootste veranderingen plaats en is er sprake van een heus wegennet en is er bebouwing in vrijwel het gehele gebied. De kaart van 1980 laat zien dat het zuidelijke deel van de Peel als natuurgebied wordt beheerd en is er nog maar mondjesmaat sprake van uitbreiding.

De Peel is ook betrokken geweest in de Tweede Wereldoorlog, waarvan hieronder een verslag[6]:

In 1937 werd nu onderzocht of het mogelijk was om tussen het riviertje de Raam bij Grave en de overgebleven Peelmoerassen bij Weert een tankgracht te graven. Die mogelijkheid was er, maar waar moest het geld vandaan komen om de aanleg te betalen? De oplossing kwam toen iemand op het idee kwam dat de gracht ook geschikt was af afwateringskanaal. Dat betekende dat het kanaal niet alleen een militaire maar ook een economische betekenis had, waardoor de weg vrijkwam om er ook werkloze arbeiders voor in te zetten, iets wat voor enkel militaire objecten niet mocht. En wie geen werk had, kreeg toch al een (kleine) uitkering. Daarmee was het geldprobleem opgelost.

Maar ook toen gingen deze zaken lang niet zo snel als men wilde. Het duurde nog tot de herfst van 1939 voordat de eerste schop in de grond ging. Stel je voor, Duitsland was al in oorlog met Polen, en daarmee met Engeland en Frankrijk en onze militairen lagen al klaar in het veld voor het geval het ook aan onze kant mis kon gaan. Gelukkig gebeurde er nog niets en verliepen de werkzaamheden vanaf dat moment voortvarend, ondanks de strenge winter dat jaar. Het is aan de soldaten, de werklozen uit de Randstad en de vele lokale burgers te danken dat het enorme karwei, bestaande uit het graven van het kanaal, het bouwen van maar liefst 331 kazematten, het oprichten van prikkeldraadversperringen, het leggen van mijnen, het aanleggen van loopgraven en wat er verder nog bij de bouw van een linie komt kijken, op tijd gereed was. De Peel-Raamstelling zoals die nu officieel ging heten, in de volksmond ‘het defensiekanaal’ was klaar. Het maakte grote indruk op iedereen, ook op de Duitsers, die de linie zelfs de 'Nederlandse Maginotlinie' noemden. Wellicht wat overdreven, en natuurlijk ook gebruikt om hun overwinning nog groter te doen lijken, maar het zegt natuurlijk toch wel wat.

23

Ook bij de bevrijding werd in 1944 flink gevochten in de Peel:

September is voor de Peelregio de maand van de bevrijding van de Tweede Wereldoorlog. De Duitse bezetter werd in de tweede helft van september 1944 uit Deurne, Asten, Someren en Helmond door de geallieerden verdreven. Asten-dorp vierde 22 september 1944 zijn bevrijding, maar dat betekende niet dat de Peel gevrijwaard was van verdere oorlogsellende. Liessel en Helenaveen veranderden in oktober en november door Duitse tegenaanvallen van bevrijd in bezet gebied. Ook Duitse beschietingen vanuit de lucht en bombardementen eisten tot de definitieve capitulatie slachtoffers. En regelmatig stortte een geallieerde bommenwerper in de Peel neer.


De meest gebruikte referenties staan in de introductie vermeld
Gecontroleerd door Gerard Jeuken

Laatst bijgewerkt op 3 maart 2018, 14:24:25

Heemkundekring De Vonder Asten-Someren, Molenstraat 10, 5711 EW Someren, tel. 0493-472423
Heemhuis open op dinsdag van 9.00 uur tot 12.00 uur en donderdag van 19.00 uur tot 21.00 uur