vonder kop
vonder kop

Archieven » Toponiemen Naamsverklaring

Boksenberg

door Jacques van der Velden

Landgoed Boksenberg

Het is even wennen, een berg begroeid met boksen. Een waslijn behangen met ondergoed en broeken wapperend in de wind ergens op een hoger gelegen veld in de buurt van een hoeve? Zou dit tafereel in de verte de indruk kunnen wekken van één met boksen begroeide berg? Lees verder hoe dit afloopt . . .

Enige tijd geleden ontving ik de vraag: wat betekent Boksenberg. Dit toponiem zou ergens in Someren liggen. Eerlijk gezegd, ik had er nog nooit van gehoord. Op de IVN-site afdeling Asten-Someren, is onder de rubriek Natuurgebieden het Landgoed Boksenberg te vinden. Een kaartje wijst de plaats aan waar deze berg ligt. De kernvraag is, wat betekent Boksenberg. Ik heb de volgende mogelijkheden onderzocht: beuken-berg, broeken-bergplaats en buxus-berg. De beukenberg sneuvelde vanwege het ontbreken van een ‘s’ in beuk. Omdat we hier te maken hebben met een echte berg verloor ook broekenbergplaats deze wedstrijd. Vooral buxusberg heb ik nog lang erin gehouden. Tenslotte viel het doek omdat ik me moeilijk kon voorstellen dat op zo’n afgelegen onvruchtbare plaats buxusbomen tot ontwikkeling konden komen. Vooral het antwoord op de vraag: hoe die heesters daar terecht zijn gekomen, kon ik niet bevredigend beantwoorden. Het grappige is dat in de oplossing de buxus toch nog een rol speelt.

Boks in de Historische Woordenboeken van het Nederlands

In een trefwoordenlijst van het Nederlandse landschap vond ik het woord Boks. Hetzelfde woord trof ik aan in de Historische Woordenboeken onder het moderne Nederlandse trefwoord Bokse, met de definitie: “Het onderstel van een omgehakte boom, met de uitgegraven wortels (Noord-Brabant en Limburg), ook broek geheten.”. Ook woorden als aarsgat en vod werden daarvoor gebruikt. In Gelderland verstaat men onder een boomkont of alleen kont: “het ondereind van een gerooide boom, het worteleind zonder de wortels.”. Allemaal vormen van beeldspraak. Bij rooien wordt de boom volledig verwijderd. Bij kappen en vellen blijft de stronk in de bodem achter. Het valt mij op dat er relatief veel verschillende benamingen bestaan, die in wezen nauwelijks in betekenis van elkaar verschillen. Met een boks of broek wordt in het dagelijks spraakgebruik een kledingstuk bedoeld, maar in dit geval is het een onderdeel van het landschappelijk element boom. Waar komt dit woord eigenlijk vandaan?

Woordgeschiedenis van boks

De Pan, kaart van 1900.
De Pan, 1900
De Pan, kaart recent.
De Pan, recent.

Men heeft wel gedacht dat boks teruggaat op de diernaam bok. Te denken valt aan een samenstelling als bok-hose ‘broek van bokkenvel’. Taalkundigen zijn van dit idee afgestapt. De gangbare verklaring is nu, dat boks ‘wijde broek’ uit bokse ‘broekspijp’ is ontstaan. Oorspronkelijk had alleen het meervoud boxen de betekenis broek en werd met het enkelvoud bokse een broekspijp aangeduid. Logisch, want twee broekspijpen maken één broek. Deze ‘pijp’ is weer afkomstig van Latijn buxus ‘koker’, die verwant is aan ons woordje bus ‘metalen doos, blik, trommel’. Deze betekenis in het Latijn is overgewaaid uit het Grieks puxis, púxos ‘doos uit hout van de buksboom’. Kortweg gezegd: de betekenis is dus van ‘koker’ naar ‘pijp’ van een broek en van ‘broekspijp’ naar ‘broek’ gegaan. Naast boksen ontstond voor het enkelvoudig begrip een nieuw enkelvoud boks(e) ‘broek’, en daarnaast een nieuw meervoud boksen ‘broeken’. De eigenschappen van het hout van de buxus zijn uiteindelijk verantwoordelijk geweest voor de betekenisontwikkeling van boks. Het hout laat zich namelijk zeer fijn bewerken (draaien, snijden) tot gebruiksvoorwerpen (doos, koker, pijp). In de baroktijd werden van deze harde houtsoort prachtige blaasinstrumenten (blokfluit, hobo, klarinet) vervaardigd. Het Griekse woord voor buxus betekent ‘dicht, vast, ineengedrongen’, een verwijzing naar deze dichte en harde houtsoort. Genoeg over de oorsprong van boks.

Boks als element in het landschap, conclusie

Waarom staat het woord boks in een trefwoordenlijst van het Nederlandse landschap? Kennelijk kan het een element in het landschap zijn. Van het woord Boksenberg is berg zéker een landschappelijk element te noemen. Ik denk dat er ook redenen zijn waarom boksen van bomen bij het landschap horen. Er blijven immers veel boksen van omgewaaide maar ook van gekapte bomen in de bodem achter. In het laatste geval meestal doelbewust om stuifzand vast te houden. Het gebied Boksenberg is een stuifzand gebied, dat later met dennen is beplant. De naam boksenberg bestond al voordat men overging tot bebossing. Blijkbaar waren er in de ondergrond veel boksen van de oorspronkelijke begroeiing achtergebleven en dankt deze berg daaraan zijn naam. Het is ook heel goed mogelijk dat deze berg zelfs zijn bestaan dankt aan die oorspronkelijke bomen. De bomen hebben waarschijnlijk in eerste instantie het stuifzand tegengehouden waardoor een berg ontstond. Maar na het kappen hebben de boksen het zand vastgehouden, waardoor de berg niet meer weg kon waaien. Mijn conclusie is: Boksenberg ‘berg met boomstronken’.

Op zoek naar voorbeelden in de natuur

Drunense Duinen, zandfort
Drunense Duinen, zandfort
Drunense Duinen, zandfort
Drunense Duinen, zandfort

Ik ben op zoek gegaan naar een Boksenberg, om een mooie foto te maken. Maar omdat dit soort bergen meestal weer met naaldbomen beplant zijn is dat nog niet zo simpel. Er zijn maar een paar plaatsen in Nederland waar de oude vegetatie behouden is gebleven. Meestal niet in de oude toestand, want veel stronken zijn natuurlijk weer uitgeschoten. In de Loonse en Drunense Duinen iets ten noorden van de ‘Rustende Jager’ heb ik zo’n gebied met behoorlijk wat stuifduinen gevonden. In een landschap van stuifzand, heide en bossen liggen daar bergen met overblijfselen van eiken hakhout. De foto’s zijn begin mei gemaakt. Het eikenhout op deze onvruchtbare gronden staat dan nog niet in blad en maakt daarom een spookachtig indruk. De wallen en duinkoppen werden ooit met eiken beplant en als hakhout beheerd. Dit hakhoutbeheer is gestopt, waardoor op die plaatsen dikwijls opgaande eiken zijn verrezen. De foto’s die ik voor dit artikel heb gekozen, tonen bergen met eikenbomen. In het basisgedeelte vertonen deze bomen knoestige verdikkingen in de stam. Deze grillige vormen zijn het gevolg van herhaald kappen. Hier en daar steekt nog een dode stronk uit de grond. Soms bevindt een belangrijk deel van de stam zich in de berg, met de wortels nog in de oorspronkelijke bodem. In het project ‘Oude boskernen in de Loonse en Drunense duinen’ worden deze stuifzandbergen, ‘zandforten’ met eiken ‘stoven’ of ‘stobben’ genoemd. De definitie van ‘stoof’ is: Achtergebleven of uitgegraven worteleind van een gevelden boom of van gekapt hakhout; boomstronk. Boks(e) past binnen deze definitie. Ik denk dat we in Someren te maken hebben met een soortgelijke situatie als in de Loonse en Drunense Duinen. Ik ben in de bossen gaan zoeken naar restanten van de Boksenberg, helaas trof ik op die locatie een ondoordringbaar bos met naaldhout aan. Het hele gebied Boksenberg is na het midden van de 20e eeuw met naaldbomen beplant. Sinds 1900 staat de naam Boksenberg op de kaart. Deze berg is dus in ieder geval vóór die datum ontstaan. Omdat oudere kaarten nauwelijks hoogtelijnen bevatten en omdat hakhout zich laat aanzien als struikgewas, is de Boksenberg op oudere kaarten niet terug te vinden. Er zijn wel archeologische vondsten uit de steentijd en ijzertijd geregistreerd. Geschreven bronnen heb ik verder niet gevonden. Wat Boksenberg betekent is denk ik ondertussen duidelijk, maar hoe deze berg met boksen kon ontstaan is minder duidelijk. Omdat dat niet binnen de reikwijdte van dit verhaal valt, verwijs ik daarvoor liever naar de paragraaf Bosgeschiedenis in het project ‘Oude boskernen in de Loonse en Drunense Duinen’, waarin op deze materie dieper wordt ingegaan.

Bronnen: (aanklikbaar)

Den Drank

door Jacques van der Velden

Dit verhaal gaat over een grenspaal, die ooit de grens markeerde tussen Asten en Vlierden, waar het vee zich kon laven aan het water uit de Peel, op een plaats waar een voetpad de Astense Aa overstak.

Giftbrief Hendrik van Cuyk

Hendrik van Cuyk, heer van Asten erkent in een giftbrief [1367] het recht van de Astenaren op het gebruik van de Astense gemeynt. In deze brief wordt beginnende bij Aestappen met de klok mee een rondgang gemaakt langs de grenspalen die deze gemeynt afbakenen. In een achttiende-eeuws afschrift staat letterlijk: “geleegen binne dese paalen van den Drank tot Aestappen den geregten vliet op tot Ruth den Raade en van Ruth voor den geregten vliet op tot Sint Wilbertsput op Luttel Meijl en van daar tot Amsloo ende van Amsloo tot Seven Meeren en van Seven Meeren tot 's-Hertogen paalen toe en van dien palen af tot Wilput en van Wielput den geregten stroom nederwaarts tot Liedrop ten Vonderen toe en van daar den gerechten stroom nederwaart tot geene spleete toe daar die van twee Aaën vergaderen en van dien spleet den geregten vliet op tot Aestappen ten Drank weder toe”. Mijn verhaal zal gaan over de eerste grenspaal. Een naam als “den Drank” klinkt misschien lachwekkend, maar is in mijn ogen daarom niet minder interessant. Het grappige is wel, dat als je daar zou wonen, je zomaar “aan den drank” kan zijn, zonder een druppel alcohol te hebben genuttigd. Ik ga nu een serieuze poging wagen om dit toponiem te lokaliseren en te verklaren.

Den Drank tot Aestappen

Deze paal, in het begin van de brief omschreven met “den Drank tot Aestappen”, wordt op het einde nog een keer aangehaald met “tot Aestappen ten Drank”. Dat de grenspaal “den Drank” te Aestappen stond staat hiermee als een paal boven water. De rondgang begint stroomopwaarts bij de “vliet”, waarmee uiteraard de “Astense Aa” bedoeld wordt en eindigt stroomafwaarts met de “stroom” of Aa, ook wel Groote Aa genoemd. Bij de “spleete” stroomt de “Astense Aa” in de Aa. De Astense Aa werd in de negentiende eeuw ook wel Vlierdensche Aa genoemd. Het is maar van welke kant je het bekijkt. De eerste grenspaal die je tegenkomt als je vanuit de “spleet” de Astense Aa stroomopwaarts volgt heet dus “den Drank”. Met de “Aestappen” werd in [1367] vermoedelijk de plaats bedoeld waar men dóór de beek ging en niet het gehucht Oostappen. Oostappen is de dialectische tegenhanger van Aestappen. Beiden zijn samengesteld met “stappe”, een verouderde vorm van “stap”. Aestappen en Oostappen zijn op te vatten als 'voetspoor of -pad door de Aa'.

Kapelletje aan den Drank

In België vond ik een wegwijzer met het opschrift “Het kapelletje aan den Drank”. Het gaat om een Maria-kapelletje dat in Maasmechelen achter een oud kerkhof staat. Volgens een kaart uit [1777] lag daar een grote waterplas in de Kikbeek, een drinkplaats voor koeien volgens zegslieden. De plas is moeten wijken voor een weg en de Zuid-Willemsvaart. Een oud kasseien voetpad loopt nog langs het kapelletje naar beneden. De veldnaam “den Drank” moet al lang bestaan hebben toen in de negentiende eeuw het kapelletje ernaar vernoemd werd. Vroeger liep het pad verder door naar de plas om vervolgens de Kikbeek over te steken. Daar waar dit pad langs het water liep moet dan de drinkplaats “den Drank“ gelegen hebben. Schematisch gezien: het voetpad stevent recht op de beek af, volgt het water stroomopwaarts en steekt het bruggetje over.

Wegwijzer naar het kapelletje
Kapelletje aan den Drank
Maasmechelen

Aestappen

Over de Astense Aa ten westen van de huidige Deurneseweg lagen ooit drie beekovergangen: Aestappen, Keysersdijck en Belgeren. De hoofdverbinding Asten-Deurne liep vroeger over Belgeren. Deze verbinding bestaat nu niet meer. De Keysersdijck was de oude verbinding tussen Oostappen en Voorste Beersdonk (Vlierden). Aestappen, de meest westelijke overgang, lag ongeveer op de plaats waar nu de huidige verbinding met Brouwhuis (Otterstraat - Bij Oostappen) loopt. Jammer genoeg bestaan er geen kaarten die een gedetailleerd beeld geven van dit gebied in de middeleeuwen. De kadasterkaarten uit [1832] bieden nog de meeste details. Volgens het Belgische voorbeeld moeten we “den Drank” zoeken langs een voetpad in de buurt van een beekovergang. Vanaf Asten liep vroeger een voetpad door het broek van Asten, Ommel en Vlierden richting Brouwhuis en Helmond. Op een kaart van Landmeter Hendrik Verhees [1794] is dit pad te zien. Op de kadasterkaarten [1832] van Oostappen (Asten A1), Brouwhuis (Vlierden A2) en Hertsberg (Vlierden B2) is dat voetpad ook te zien. Om over de Astense Aa te geraken kon je toen gebruik maken van een bruggetje, ”Het Aa hout” ook wel het “Oostappense Aahout” genoemd. “Hout” betekent hier 'houten bruggetje'. Uit de beschrijving “groes ontrent het Aa-hout te Astappen”, blijkt dat er al in [1696] sprake was van een bruggetje. Bijna twee honderd jaar later in [1886] ligt daar nog steeds een “houten schoor” 'eenvoudig houten bruggetje' over de Aa. Ter voorkoming van natte voeten was het gangbaar om een bruggetje aan te leggen in de buurt van een beekdoorgang.

Voorste Beersdonk
Hendrik Verhees
Wolsit Asten

Den Drank

In het Oudnederlands woordenboek heb ik het woord “drank” niet gevonden. In het Vroegmiddelnederlands woordenboek komt “drank” wel voor, maar uitsluitend in de betekenis van 'drank'. Pas in het Middelnederlands komt het woord in twee betekenissen voor:

  1. aandrang, onstuimigheid en het dringen, gedrang (periode 1399-1425 Noordoost-Nederland)
  2. drank.
De giftbrief waarin het woord “den drank” voorkomt is van 1367 en omdat een toponiem meestal ouder is dan zijn eerste vermelding denk ik dat de betekenis 'drang' een jongere ontwikkeling is en daarom waarschijnlijk niet van toepassing. Het is in ieder geval een grenspaal en omdat de Astense Aa hier de grens vormt gaat het over een paal die in of aan het water stond. De plaats heet Aestappen, we mogen dus aannemen dat je hier te voet door het water kon oversteken. Dan ligt het ook voor de hand dat beesten er gemakkelijk konden drinken. Drank is afgeleid van het werkwoord “drinken, dronk, gedronken”. Drank is daarom oorspronkelijk gedefinieerd als 'dat wat men drinkt', maar kreeg vanaf de zestiende eeuw ook de specifieke betekenis van 'alcoholische drank'. Tegenwoordig wordt dit woord bijna uitsluitend in deze laatste betekenis gebruikt. De A-klank in “drank” is afkomstig van de verleden tijd van drinken in het Oudnederlands. Toen schreef men “drinkan, drank, drunchan”, net als in modern Duits “trinken, trank, getrunken”. Ik concludeer dat het toponiem “den Drank” 'drinkplaats' voor vee betekent.

Beemd in den Drank

De oudste verwijzing naar de grenspaal “den Drank” mag dan wel uit een Astense bron komen, de belangrijkste informatie moet echter gezocht worden aan de Vlierdense kant van de Astense Aa. De eerstvolgende vermelding van “den Drank” na de giftbrief dateert uit [1431]. Toen werd een Vlierdense akte van een erfenis voor de schepenbank van Helmond getransporteerd. Daarin stond: “een stuc bemts ter stede geheiten in ghenen dranck gelegen e.z. [ene zijde] erf Willems van Dieschit ende Jans van den Hudsberch a.z. [andere zijde] erf toebehorende der heerlicheit van Asten ende een water aldair geheiten daa [de Aa]”. Deze “beemd in den Drank” lag aan de Astense Aa op Vlierdens grondgebied. Overigens “in den Drank” wijst op een gebied. Ik denk dat de drinkplaats “den Drank” zich over een zekere lengte langs de Aa uitstrekte. Uit deze akte blijkt tevens dat de heerlijkheid Asten ook grond aan de Vlierdense kant van de Astense Aa had. Het resultaat van een rechtgetrokken bocht?

Wolschot en Straetke

Vlierdense en Helmondse cijnsregisters uit de zeventiende eeuw maken gewag van “een bempt aent Wolschot genaemt den Dranck” [1644] en van “een weiveld genaamd de Dranck” dat aan een “straetke” lag [1628]. Verder laten al deze Vlierdense registers uit die periode zien dat deze beemd steeds met een zijde aan de Aa lag. Dat moet dan de Astense Aa geweest zijn. Uit alle bronnen die daar over gaan blijkt in ieder geval dat we deze “beemd in den Drank” op Vlierdens grondgebied moeten zoeken. Overigens enkele Astense registers uit de zeventiende-achttiende eeuw leveren ook nog informatie op. Daarin is namelijk sprake van “hooiwas het Wolsit te Astappen” [1649] en een eeuw later “hooiland of beemd genaamd de Wolsit, agter Ostappen” [1757]. In een verdeling uit [1787] staat de aanduiding: “groes den beemd in de Wolsit, agter Ostappen”. Uit de belendingen blijkt dat het Wolsit aan de Aa was gelegen. Omdat verwijzingen als “agter Ostappen” en Astappen vanuit Oostappen gezien, verwijzingen zijn richting de Astense Aa, zal het Wolsit aan de Astense kant van de Astense Aa gelegen hebben. Met deze beschrijving is het mogelijk om het Astense Wolsit op de kadasterkaart aan te wijzen. “Wolsit” en “Wolschot” met of zonder “f” zijn denk ik dezelfde woorden. Om de ligging van het Vlierdense Wolfschot te bepalen, is nog één stap te gaan.

Ligging Wolfschot

In het boek “Vlierdens verleden” staat een opsomming van landerijen die genoemd werden in een scheiding en deling uit 1781. Twee percelen zijn van belang:

  1. “hooiland het Wolfschot, 1 lop. 25 roeden” en
  2. “hooiland in het Wolfschot, 25 roeden”.
Rond 1832 zijn Jan en Renier van Bree de eigenaren. Op twee plaatsen hadden ze hooilanden in het beekdal van de Astense Aa liggen. Eén daarvan lag tussen de beekovergangen Aestappen en Keysersdijck en het andere bij de Aestappen. Dan denk ik dat deze laatste, het gezochte Wolfschot moet zijn dat in het zeventiende-eeuwse cijnsregister genoemd werd als belending van de “beemd in den Drank”. Met redelijke zekerheid kan ik nu dit perceel op de kadasterkaart van Vlierden aanwijzen.

Het straetje

Een “straetje” of “stratien” werd gebruikt om vee overheen te drijven. Om die reden in registers dikwijls met “drijfstratien” aangeduid. Het vee dat ging drinken bij “den Drank” zal zeker over zo'n straatje zijn gedreven, daar ga ik vanuit. Als je over het eerder genoemde voetpad van Brouwhuis richting Oostappen ging, liep volgens het kadaster het weggetje eerst recht naar de Astense Aa toe, maar bij het laatste perceel ging het pad stroomopwaarts richting “het Aa hout” toe. Dit komt schematisch overeen met de Belgische situatie in Maasmechelen. Verder moet opgemerkt worden dat de Aa hier kaarsrecht is. Er zit op de grens van de twee kadasterkaarten Brouwhuis (Vlierden A2) en Hertsberg (Vlierden B2) zelfs een vrijwel rechte hoek. Is hier misschien een oude meander rechtgetrokken? Als ik het voetpad op de kaart van Hendrik Verhees [1794] vergelijk met deze kadasterkaarten dan mis ik ter plaatse een grote lus. Dat er toen ook al een straatje met een voetpad liep is in ieder geval wel zeker, want in een Astens register wordt uit de doeken gedaan hoe twee Astenaren tot laat in de avond “op de kaart gespeelt te hebben” vanuit “de herberg van Jan de Groot, op het Brouwhuys, onder Vlierden” naar huis gingen over “een straatje, op den Beersdonk, waardoor een voetpad loopt om naar Asten te komen” [1791]. Is ten gevolge van het rechttrekken misschien ook Astens grondgebied bij Vlierden gekomen? Ik doel op de schepenbank van Helmond [1431] waarin de “beemd in den Drank” de volgende belendingen had: “erf toebehorende der heerlicheit van Asten ende een water aldair geheiten daa”. Het zou allemaal zomaar kunnen. Bij twee oostelijk van het bruggetje gelegen rechtgetrokken meanders is het omgekeerde gebeurd. Daar is grondgebied van Vlierdense eigenaars, Astens grondgebied geworden. Van 1367 tot 1832 is een lange tijd, daarin is veel gebeurd. Er zullen altijd wel schakels ontbreken, maar het idee van een rechtgetrokken bocht in de Astense Aa, leek mij een meer dan redelijke veronderstelling.

Brouwhuis richting Oostappen

Grenspaal “den Drank”

Waar zou ik de grenspaal plaatsen? Het drijfstratien tevens voetpad loopt hemelsbreed gezien, recht naar de Astense Aa en is gericht op het gehucht Oostappen aan de andere kant. Deze lijn vormt tevens de grens tussen de “beemd den Drank” en het Wolfschot. Op het snijpunt met de Astense Aa lag Aestappen en ook “den Drank” naar mijn mening. Als ik de grenspaal “den Drank” zou willen plaatsen dan zou ik dat doen net voorbij de haakse bocht, gezien vanuit de spleet, in of langs het water op het hiervoor genoemde snijpunt met de Astense Aa.

Uitwerking kadasterkaarten

De zwart omlijnde percelen op de gecombineerde Vlierdense kaart A2 - B2, zijn in [1832] eigendom van de familie van Bree. Op twee plaatsen liggen deze percelen aan de Astense Aa. Het linkse perceel dat aan het voetpad grenst moet volgens mij wel het Wolfschot zijn. De stippellijn is het voetpad dat op het einde van het “Stratien” in het beekdal doorloopt, daarbij de perceelgrens tussen “Wolfschot” en de “Beemd den Drank” volgend. Hemelsbreed is het stratien gericht op Oostappen en loopt het virtueel door het punt Aestappen. Bij het laatste perceel aangekomen verandert het voetpad van richting. Vanaf hier gaat het pad stroomopwaarts door de beemd en komt het regelrecht bij “Het Aa Hout” uit. Zou een koeherder met koeien hier lopen en omkijken dan krijgt hij of zij ongeveer het beeld “Gezicht in de Eext” te zien zoals dat door Johan Wolthers is geschilderd. Toen Aestappen nog in gebruik was als beekdoorgang, konden de koeien rechtdoor lopen richting Oostappen. Op het rechte stuk, vanaf de haakse bocht tot en met het bruggetje, kon het vee vermoedelijk overal drinken en oversteken. Daarmee is “den Drank” een gebied te noemen, waarmee “in den Drank” een betere onderbouwing krijgt. Koeien lopen graag door het water en zullen zich niet graag laten beperken tot een smalle oversteekplaats. De koeherder kon meelopen met het vee, maar kon er ook voor kiezen om gescheiden over het Aa-hout te gaan. De route via het bruggetje werd ook gebruikt door personen die geen vee dreven. In wezen volgt het voetpad in het beekdal een lijn van gelijke hoogten (topografische hoogtelijn). Het moet duidelijk zijn dat de waterstand van de Astense Aa bij dit alles een belangrijke rol speelt. Hiermee denk ik de ligging van het toponiem “den Drank” te hebben gelokaliseerd op de kadasterkaart.

Vlierden - Wolfschot - Beemd - Den Drank
Gezicht De Eext

Den Drank anno 1832 op de kaart van nu

In [1905] is een voorstel gedaan om de Astense Aa ter plaatse van de Aestappen recht te trekken. Daardoor is het punt waar “den Drank” lag ten noorden van de nieuwe brug komen te liggen. De Algemene Hoogte Kaart (AHN) wekt de indruk dat in werkelijkheid die verschuiving niet zo groot uitgevallen is als de tekening doet vermoeden. Door de huidige topografische kaart te projecteren over de kadasterkaart en dat resultaat te vergelijken met de AHN, ontstaat een beeld dat toch met de tekening uit [1905] blijkt te kloppen. De oude beekdoorgang Aestappen, waar de grenspaal “den Drank“ stond, lag na het rechttrekken op Vlierdens grondgebied. Om precies te zijn, links van de weg Asten-Brouwhuis, ongeveer 35 meter noordelijk van de as van de Astense Aa, daar waar de witte punt op de combinatiekaart staat. Dit punt is vrij nauwkeurig te bepalen. Door de werkgroep toponiemen is een systeem gebouwd dat dit soort topografische informatie, gebaseerd op de situatie van 1832, kan leveren.

Asten, de Aa verleggen
Drank nu aangekleed
Kadaster naar nu

Den Drank anno 1367 op de kaart van nu

Omdat het waarschijnlijk is dat er in 1367 ter plaatse van “den drank” grotere lussen in de Astense Aa gelegen hebben, moeten we de locatie van de grenspaal richting Brouwhuis bijstellen. Ik heb de kadasterkaart met de kaart van Hendrik Verhees vergeleken. Ik denk dat toen het punt maximaal 140 meter noordelijk van de as van de Aa gelegen kan hebben. Verder heb ik ook gekeken naar de breedte van de beekdalbodem (geomorfologische kaart 1975), het vlakke gedeelte van het beekdal waarbinnen de beek stroomt. De maximale afstand tot de huidige as van de Aa is daar ongeveer 85 meter. Dat is volgens mij met elkaar in tegenspraak. Mag ik de kaart van Hendrik Verhees misschien niet zo nauwkeurig interpreteren? De beekdalbodem kan ook verlegd zijn, zoals dat nu ook weer gebeurd is ten oosten hiervan, waar opnieuw meanders zijn aangebracht. Als ik dan toch met één getal zou moeten komen dan kies ik voor middelen.

Terug in de tijd

Dan kom ik op ongeveer ruim 100 meter vanaf de as van de Astense Aa in noordelijke richting. Nauwkeuriger kan ik het niet maken. Ik ben ter plaatse gaan kijken. Het beekdal aan de noordkant is inderdaad over een brede strook zeer vlak te noemen. Daar zal de oude lus met beekdoorgang, toentertijd gelopen hebben. Daar moet dan ook de grenspaal “den Drank” tot Aestappen in 1367 gestaan hebben.

Bronnen:

  • http://www.ngi.be/NL/NL1-4-2-3 Kaart 188 Reckem [1777], Mechelen [aan de Maas]
  • Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2010), Etymologiebank, op http://etymologiebank.nl/ Drank
  • Oudnederlands -1200 ; Vroegmiddelnederlands 1200-1300; Middelnederlands 1250-1550
  • Varia Peellandiae historiae ex fontibus, E van Emstede, Asten en Ommelen, blz.11-15, 1367.12.5
  • Vlierdens verleden 721 – 1926, door H. Beijers & P. Koolen, pagina 174-177 Wolfschot
  • Van d'n Aabeemd tot de Zwijnsput, Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500, Schoot/Schot/Schut, Wolf cleyn wolfscot tot aastappen [1406], aen gheen wolsscot Vlierden [1485]
  • www.heemkundekringdevonder.nl/archieven/oudschrift Wolsit [1649,1757,1787], Wolset [1740-92]
  • file:///C:/MijnFiles/ToponiemenVonder/Drank/20080908-Het-dal-van-de-Astense-Aa-en-zijn-omgeving-definitief-incl.-logo-RRC-de-Peel.pdf Het dal van de Astense Aa en zijn omgeving.
  • http://www.deurnewiki.nl/wiki/index.php?title=Drank_(veldnaam) Wolfschot, Dranck, Straetje
  • http://www.docudatadeurne.nl/DocuDeurne/index.php?title=Toponiemenonderzoek_in_Helmondse_schepenprotocollen Wolfschot [1433]
  • https://groninganus.wordpress.com/2015/05/06/vroege-drentse-dorpsgezichten-in-een-gronings-familiearchief/ Vroege Drentse dorpsgezichten in een Gronings familiearchief, “Gezicht in de eext”
  • Provinciaal bestuur, BHIC toegang 17 Inv.nr. 6930, “Omlegging der rivier de Astensche Aa”
  • PDOK, Publieke dienstverlening op de kaart, viewer, TOP10Nl, kadastrale percelen (grenzen)
  • Met dank aan de toponiemen-werkgroep voor hun bijdragen.

Het Liender

door Jacques van der Velden

Waarom is toveraar een raar woord en luisteraar niet? Waarom is Hendrik een typisch Nederlandse naam? Wat heeft dat met Lielaer te maken? Wat betekent Lielaer? Bent u nieuwsgierig geworden? Deze en meer antwoorden vindt u in dit artikel.

Tijdens de cursus oud schrift begin 2015 kregen we op de eerste avond al een middeleeuws charter [oorkonde, schriftelijk bewijsstuk] uit het “Cartularium van de Tafel van de Heilige Geest van Asten” voorgeschoteld. Een verzameling afschriften van schriftelijke bewijsstukken waarin de middelen van de armenzorg in de parochie van Asten werden vastgelegd. Met de inkomsten uit schenkingen, collecten, pachten en huren werden de uitdelingen van voedsel en kleding bekostigd. Het betreffende charter uit [1374] is een koopcontract van een hoeveelheid (erf)rogge, die jaarlijks betaald moest worden op Maria-Lichtmis (2 febr.). Tot zekerheid van de betalingen werden onderpanden aangewezen, waaronder een “stuck lands liggende aen gheen Lielaer” 'stuk land gelegen aan het Lielaer'. In de overeenkomstige Latijnse tekst als Lyellaer geschreven, tegenwoordig het Liender genoemd. De letter “e” vóór een “l” lijkt in deze akte sterk op een “c” waardoor Lielaer ook wel gelezen werd als Liclaer. Door te vergelijken met andere stukken tekst die goed leesbaar zijn, zoals bijvoorbeeld het woord “gelegen”, wordt duidelijk dat er wel degelijk Lielaer staat. Andere bronnen bevestigen dat dit juist is. Vergelijken is een adequaat middel om oud schrift te ontrafelen. Leuk werk voor iemand die van historie en puzzelen houdt. Misschien is de oudste vorm van dit toponiem de naam van het Noord-Franse stadje Lillers, Lillaar voor de Vlamingen, dat ten zuiden van de huidige taalgrens in Frans-Vlaanderen ligt.

Nederlands taalgebied

In het Oudnederlands woordenboek [vóór 1200] staan onder het woord “laar” 'bosachtig, moerassig terrein' twee lilaar-toponiemen.

  1. Lilaar [1065-1078] 'Lillers, plaats bij Béthune, Noord-Frankrijk'
  2. Lilaar [1150-1154] 'Lilare, plaats bij Sint-Maria-Oudenhoven, Aalst, prov. Oost-Vlaanderen', waarbij opgemerkt wordt dat het element “li” onbekend is

De Belgische familienamen Lilar en Lilla(rd), die verklaard worden vanuit het toponiem Li(e)laar, haken in op de hiervoor genoemde toponiemen en voegen de schrijfvormen Lielar, Lylar en Lyelar [1160-1237] toe. Verder kreeg ik een treffer op Liendert een wijk in Amersfoort. In de periode [1300-1416] geschreven als: Lielaere, Lienlaer en Lylaer. In Vught duikt nog een Brabantse versie van deze naam op in de vorm van Lillart, Lielaer, Lieliaert en Lilien. De oudste verwijzing [1389] gaat over een “beemd in 't gemeyn broec ter plaatse genaamd Lillart”. In het Limburgse kwam ik nog een artikel tegen over middeleeuwse bewoning op de Linnerheide, het leengoed 'Op gen Lylaert'. Daarin wordt een groot aantal varianten van deze naam genoemd, waaronder: Lydlair, Lylaer, Lylair, Leilaer, Lehler, Lyllaert, Lielaer, Leeler, Lillar, Lyller, Lyllaer, Lelart, Lillaer en Liller [1553-1734].

Asten: Lielaer Lielder Liender

In Asten heeft het toponiem Lielaer zich in de 17e-eeuw via Lielder ontwikkeld tot Liender. In de eerste stap Lielaer - Lielder wordt een extra -d- ingevoegd en in de tweede stap wordt een -l- gewijzigd in een -n-. Het invoegen van een extra klank in een woord heet “epenthesis” 'Grieks, inlassing'. Dit wordt meestal gedaan om de uitspraak te vergemakkelijken. Van de ingevoegde klanken staat de -d- veruit op de eerste plaats. Dit is een typisch Nederlands verschijnsel. Ter verduidelijking twee voorbeelden: dienaar - diender en Heinrich - Hendrik. Bij toponiemen doet zich dat ook voor, vooral wanneer ze eindigen op “laar”. Een paar voorbeelden: Herlaer - Halder, Vellaer - Velder en niet te vergeten Lielaer - Lielder. De regel is: -d- epenthesis kan optreden wanneer een -r- volgt op een -l-, -r- of -n-. In de tweede stap, wordt een -l- verandert in een -n-. Het verschijnsel dat van twee kort op elkaar volgende dezelfde medeklinkers er één gewijzigd wordt heet “dissimilatie” 'Frans, het ongelijk maken'. Ter verduidelijking een voorbeeld: toveraar - tovenaar. Toveraar is een logische keuze omdat het een samenstelling is van de stam van toveren en -aar, zoals bij tekenaar en luisteraar, wat ook samenstellingen zijn van de stam van tekenen en luisteren plus -aar. Toch is toveraar ooit tovenaar geworden. De twee medeklinkers -r- in toveraar vormden daarvoor de aanleiding. Bij luisteraar heeft dit geen verandering teweeggebracht. Het proces kent dus weinig regelmaat. Iets dergelijks doet zich ook voor bij de overgang van Lielder naar Liender, waarbij een -l- door een -n- vervangen wordt. De twee kort op elkaar volgende medeklinkers -l- in Lielder vormden daarvoor de aanleiding. Ezelsbruggetje: het ongelijk maken gebeurd alleen met medeklinkers die in het woord “molenaar” voorkomen.

Nederland: Asten Vught Amersfoort Linne

In dit verhaal zoek ik een verklaring voor de Astense naam Lielaar. Binnen Nederland komt dit toponiem gebaseerd op deze naam verder ook voor in Vught, Amersfoort en Linne. Uit de jongste vertegenwoordigers daarvan respectievelijk Lilien, Liendert en Lylaert blijkt dat ze zich allemaal anders ontwikkeld hebben. Lilien in Vught gaat richting latijn lilia 'lelie'. Het Amersfoortse Liendert komt met een extra -t- het meest overeen met Asten. In het Nederlands werd dikwijls een betekenisloze -t- toegevoegd zoals blijkt uit Liendert en Lylaert. Volgens mij is Lienlaar (Amersfoortse variant van Liendert) net als Liender (Asten) door “dissimilatie” ontstaan. Het rijtje toponiemen van Linne dat betrekking heeft op het leengoed Lylaert, begint met Lydlair met een -d-, wat iets zegt over het element “li”. De andere vormen verschillen niet wezenlijk van elkaar, vooral de klinkers zijn anders.

Asten: Liender Laarbroek

Een algemeen bevredigende verklaring voor “laar” is nog nergens gegeven, maar 'bosachtig, moerassig terrein' lijkt mij voorlopig prima. Het is in ieder geval een zeer oud toponymisch element. Het Oudnederlands woordenboek geeft als oudste jaartal [726]. Dat is behoorlijk oud. Ik ga er van uit dat de betekenis van dit toponiem gedurende 12 eeuwen zeker aan verandering onderhevig is geweest. Het Astens Liender en Laarbroek, liggen dicht bij de Busselse Loop / Beekerloop en bevatten zoals we nu weten allebei het element “laar”. Het zijn lager gelegen gebieden, die aanvankelijk vooral gebruikt werden als weidegronden. De naam Koestraatse Eeuwsels bij het Liender is een verwijzing naar zulke koeweiden-gronden. Omdat rondom het Liender, het Loverbosch en de Achterbosch liggen, vind ik dat voor het element “laar” in Lielaer gekozen mag worden voor de beschrijving 'moerassig gebied omgeven door bossen'. Het element “broek” in Laarbroek duidt evenals “laar” op een 'moerassig gebied'. Door sloten te graven zijn in de middeleeuwen deze gronden verbeterd en vooral bruikbaar geworden als weiland. Een deel van dit gebied werd door bemesting later ook bruikbaar als bouwland.

Lie: Gallisch/Keltisch – Germaans?

De oudste waarneming Lillers, zou mij iets moeten kunnen vertellen over de betekenis van Lie, maar volgens het Oudnederlands woordenboek is dat helaas niet mogelijk. Lillers wordt in het Vlaams uitgesproken als Lillaar. In de 11e-eeuw werd Lilar geschreven, de huidige naam is een verfransing. In dit verband wil ik ook Lisbourg en Air-sur-la-lys noemen, plaatsen die 12-24 km van Lillers verwijderd zijn. Lys of Lis is het Franse woord voor Leie. Lisbourg, in het Nederlands Liegesboort uit “Legios burthi”, betekent 'geboorteplaats / bron van de Leie'. In Lisbourg ontspringt inderdaad de Leie. Deze Leie, die in Gent samenvloeit met de Schelde, werd voor het eerst vermeld in een Latijnse akte uit [694] als “super fluvio Legia” 'boven de stroom Leie'. Bij Legia wordt door taalkundigen gedacht aan Gallisch/Keltisch liga, lega 'bed(ding), sediment, modder'. Terug naar Asten. De Busselse Loop is genoemd naar het gehucht Bussel en de Beekerloop naar het gehucht De Beek. Het gehucht De Beek dankt haar naam aan de “beek” die daar stroomt. Bedenk dat “beek” en “loop” soortnamen zijn voor een waterloop. Een “beek” is een oude benaming voor een natuurlijke waterloop en een “loop” een jongere algemene benaming voor een waterloop. Ik denk dat de bovenloop van deze waterloop mogelijk ooit “lie” of “leie” werd genoemd. Het is maar de vraag of het zeer oude Gallisch/Keltische Legia hetzelfde woord is als lie- in Lielaer dat in Asten geleid heeft tot Liender.

Liender, hoogtekaart
Liender, hoogtekaart
Liender, kaart
Liender, kaart

Laar aan de Leie

Het is allemaal heel lang geleden en heel ver weg. Dat men in Vught dacht dat Lielaar iets met de plant Lelie te maken heeft is zo gek nog niet. Lys of Lis is het Franse woord voor Lelie máár ook voor Leie. Waternamen of hydroniemen zijn de oudste namen die we kennen. Waarschijnlijk werd de bovenloop van de Astense Beekerloop, heel lang geleden ook aangeduid met Leie. In Cromvoirt-Vught stroomt in ieder geval een Oude Leye, waarop Lielaar is gebaseerd. De Franse Leie stroomt vanuit Lysbourg naar Gent om vervolgens in de Schelde te stromen. Ergens onderweg stroomt de Swalme waaraan het kasteel van Lilaers gelegen is ook in deze Leie. Ik denk dat al deze “laren” aan “leien” hebben gelegen. Dat in onze streek ooit Kelten hebben rondgelopen en dat vooral waternamen daarvan getuigen, wordt algemeen aangenomen. Dat wil overigens nog niet zeggen dat hier ook Kelten gewoond hebben. Zonder Lielaer te vertalen zouden we kunnen spreken van een 'laar aan de leie'.

Leie 'geleide waterloop'

Tijdens het zoeken naar Liender, kwam ik in Amersfoort bij de wijk Liendert uit. Omdat algemeen wordt aangenomen dat Keltische invloeden alleen beneden de grote rivieren verwacht mogen worden stel ik bij Liendert een vraagteken. Wel lijkt het mij mogelijk dat het eerste deel Lien- uit het Germaanse “lijn” 'akkerwinde (pispotje), vlas' ontstaan is en is daarmee misschien de kous af. Helaas klopt dat niet want de oudste verwijzing heeft geen -n- en de jongste vorm met -n- is waarschijnlijk door dissimilatie ontstaan. De oudste verwijzing komt voor in een beschrijving van het goed Emiclaer dat bestond uit een hof Emiclaer en twee hoeven land Lielaere genaamd. Bij het bouwrijp maken van de wijk Liendert heeft men een zandweggetje gevonden van vier meter breed met aan weerszijden een sloot dat de boerderijen Emiclaer en Liendert met elkaar verbond. Men heeft met het zand uit de sloten de weg aangelegd. Dit noemt men gewoonlijk een dijk, nodig om in lager gelegen gebieden met droge voeten van de ene plaats naar de andere te gaan. Niets bijzonders dus. Als je de hoogtekaart van het Astens Liender bestudeert dan blijken de hoogteverschillen niet zo erg groot te zijn. De bovenloop van de Beekerloop in het Liender kent hier en daar rechte stukken, steile kanten en hoekige bochten. Verder is het gebied dat hierin afwatert nogal klein. Kort samengevat dit is typisch géén beekdal en de Gallisch/Keltische verklaring legia komt daarvoor niet in aanmerking. Zeker voor de kleinere beken in onze regio met een leie-naam lijkt dat te kloppen, die liggen nooit in een natuurlijke bedding. Gelukkig bestaat er nog een goed passend Germaans woord “leie”. De verklaring voor dit woord is dat het hoort bij het werkwoord “leiden” en dat het gaat om een “geleide [vergraven of gegraven] waterloop”. Het Limburgse toponiem Lydlair heeft een -d- in de eerste lettergreep wat volgens mij een aanwijzing is in die richting. Het Gallisch/Keltische legia kent wel een -g-, maar geen -d- in de basis. Voor de Oude Leye in Cromvoirt-Vught bestaat ook de schrijfwijze de Oude Laijde [1632]. Ik neem aan dat de -d- in Laijde ook op deze Germaanse herkomst duidt. De benedenloop van de Busselse Loop / Beekerloop is zeker een beek in een beekdal te noemen, maar de bovenloop waar het Liender toe behoort is dat duidelijk niet. Dat zou dan ook een “leide of leie” kunnen zijn.

Conclusie Lielaer

Het Liender oorspronkelijk Lielaer, was een wat lager gelegen moerassig gebied omgeven door bossen. Men heeft dit “laar” ontwaterd door perceelslootjes en een hoofdsloot (ontwateringssloot of leie) te graven, waarmee het water sneller naar de “beek” werd geleid. Het Astens Lielaar is een “laar” dat afwatert op een “leie” 'ontwateringssloot'. Deze “leie” is onderdeel van de Beekerloop geworden. Deze naam leeft nog voort in: Het Liender (topografische kaart), Lienderweg, Huize 't Liender en Buurtvereniging 't Liender.

Geraadpleegde bronnen

  • Gemeentearchief Asten 1503-1813, RHCe A13031, Inventaris nummer XXVI/127, Cartularium van de Tafel van de Heilige Geest Asten, Folio XLIIII, regel 10 en 12, LieLaer en regel 27 Lyellaer
  • Asten, plangebied Loverbosch https://easy.dans.knaw.nl/ui/datasets/id/easy-dataset:21355
  • http://www.topotijdreis.nl/ vanaf 1967 topografische kaart Deurne 52C
  • http://watwaswaar.nl/ Het Liender: kadasterkaart 1832 Asten C03,.
  • Oudnederlands woordenboek http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=ONW&id=ID4323 lilār, Lilare plaats bij Sint-Maria-Oudenhoven, Lillers plaats bij Béthune.
  • http://www.roepstem.net/vlaanderen.html#L Mooi Frans-Vlaanderen, waar ooit het Nederlands bloeide, Marcel Bas Lillers Lillaar
  • De Nederlanden in Frankrijk, Josef van Overstraeten, 1969 Liesbourg - Liegesboort Liegesborth < Legios burthi 'geboorte van de Leie'
  • Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk, Dr. Frans Debrabandere, 2003, Lilar Lilla(rd)
  • http://www.henkbeijersarchiefcollectie.nl/toponymie/toponymie.htm Veldnamen Vught en Cromvoirt export_veldnamen_vught_en_cromvoirt.xls [Standaardnaam A4620-A4635] Lielaar
  • http://www.heemkundekringdevonder.nl/archieven/oudschrift/asten.php Lielder Liender
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Epenthesis -d- epenthesis
  • Van d'n Aabeemd tot de Zwijnsput, toponiemen in cijnskring Helmond vóór 1500: laar, -lder, -ler
  • Nederlandse plaatsnamen: een overzicht, Leiden, 1956, Moerman Lei-varianten: lede, lee, leide, lei, liede en lie. Dialectische vorm laai 'waterloop'
  • www.kbr.be/collections/cart_plan/ferraris/ferraris_nl.html kaart van Ferraris [1777], Audenaerde (38), Chateau de Lilaers
  • Emiclaer van heerlijkheid tot stad, door G. G. Hilhorst
  • Nederlandse waternamen, Schönfeld, 1955, 150 Leie
  • http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/liend akkerwinde lijn (in lijnzaad e.d.)
  • http://www.janruiten.nl/klockenslagh/Linne/LINNERHEI/Hobertshof.htm Op gen Lylaert
  • Met dank aan de collega's van de toponiemen werkgroep voor hun op- en aanmerkingen
  • Met dank aan historicus en keltoloog Lauran Toorians voor zijn advies

Packador

door Jacques van der Velden

Tennis is mijn favoriete sport. Om die reden ben ik dikwijls bij TV Packador te gast geweest. Deze naam intrigeert mij overigens al heel lang. Ze werd voorgesteld door registrator André Remery toen in Someren-Dorp een nieuwe tennisclub werd opgericht. Bij deze keuze was hij uitgegaan van de historische benaming van gronden rond het nieuwe tennisveld. Bij de opening op zaterdag 27 april 1963 kreeg de tennisvereniging definitief de naam T.V. Packador. Al snel werd er gespeculeerd over de betekenis ervan, maar tot op heden is daar nooit een serieus antwoord op gekomen. Ik ga nu verklappen wat de betekenis is.

Meer dan drie eeuwen geleden woonde er in Someren een familie met de unieke bijnaam Packedoor. Een aantal personen met deze naam werden toen gedurende een korte periode in de R.K. kerkregisters ingeschreven. Later komen we in andere archiefstukken ook hun vroegere grondbezittingen met deze bijnaam tegen. Oudere mensen weten nog uit overlevering dat deze gronden de Packador werden genoemd. Deze bijnaam blijkt nu een beroepsnaam te zijn die hier verzeild raakte tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De Spanjaarden noemden de betaalmeester van de soldaten een pagador. Letterlijk betekent dat 'betaler'. De bijnaam Packedoor is dus afgeleid van de Spaanse beroepsnaam pagador. Ik denk dat met deze bijnaam in Someren een 'functionaris die betalingen verricht' werd bedoeld, een beroep waarvoor de Spaanse betaalmeesters in de 16e – 17e eeuw model hebben gestaan. De argumenten voor deze verklaring ga ik nu uit de doeken doen in een technisch verhaal. Ik doe dit aan de hand van historische-, taalkundige- en naamkundige vragen.

"Past deze verklaring wel in het historisch plaatje van Someren? Is deze naam niet veel ouder dan de 80-jarige Oorlog? Hoe kon zo'n naam tot stand komen?"

Packador kantine
Foto van een schuur uit 1960, die later is omgebouwd tot clubgebouw van T.V. Packador.
Namen van gronden, ook wel toponiemen genoemd, zijn in veel gevallen erg oud en vertellen ons meestal iets over de geografische bijzonderheden van die gronden. Ik heb trouwens in de boeken die over dergelijke toponiemen gaan geen enkel aanknopingspunt gevonden met deze naam. Er zijn ook veel toponiemen, die verwijzen naar een vroegere gebruiker of eigenaar. Ik stel vast dat het oudste bewijsstuk van onze naam een R.K. doop is [18.4.1709 Someren], waarin familieleden voorkomen met de toevoeging 'alias Packedoor'. Een ander archiefstuk uit 1736 betreffende Someren verwijst op dezelfde manier naar ene 'Jan Jansen alias Pacgúedor'. Een alias-naam is een bijnaam en geen vaste erfelijke familienaam, denk maar aan Edwin Rutten alias Ome Willem. De persoon krijgt als bijnaam de rol die hij speelt. Later kan zo'n naam soms alsnog een vaste familienaam worden. Ik denk dat onze naam in ieder geval niet van geografische aard is, maar waarschijnlijk de bijnaam is van een vroegere eigenaar of gebruiker. Het Spaanse achtervoegsel -dor verraadt dat er een werkwoord in verborgen zit. Een beroep, ambt of functie lijkt mij dan de meest waarschijnlijke optie. Overigens in Someren heb ik packedoor alleen als bijnaam en toponiem en niet uitdrukkelijk als beroepsnaam teruggevonden. In andere documenten en archieven, die verder geen betrekking hebben op Someren, vond ik alleen beroepsnamen zoals paguedor, pagador en pagadoor, de eerste een verouderde Spaanse schrijfwijze en de laatste een vernederlandste vorm met oo. Pagador is het moderne Spaanse woord voor 'betaler', de andere twee vormen hadden de specifieke betekenis van 'betaalmeester in het Spaanse leger tijdens de Tachtigjarige Oorlog'. Ik ga er daarom van uit dat de bijnaam packedoor een beroepsnaam is.

Deze oorlog wordt tegenwoordig door geschiedschrijvers ook wel 'De (Nederlandse) Opstand' genoemd.

doop
Doop, moeder Catharina Janssen alias Packedoor en meter Angela Janssen alias Packedoor [18.4.1709 Someren]
Het is de naam voor een opstand en strijd in de Nederlanden (1568 – 1648, met een Twaalfjarig Bestand in de jaren 1609 – 1621) tegen het Spaanse Rijk. Anders dan de officiële geschiedschrijving ons wil doen geloven, begon volgens een recent uitgebrachte studie van de stad Roermond deze opstand in 1568 niet met een glorieuze overwinning bij Heiligerlee (provincie Groningen), maar een maand eerder met een nederlaag van Willem van Oranje bij Roermond. Op 23 april 1568 wilde hij de strategisch gelegen stad aan de Maas en Roer innemen, maar dat mislukte, hij verloor daarbij ongeveer twee derde van zijn leger. Dat kwam neer op bijna 2000 slachtoffers aan zijn kant. Roermond ligt ongeveer één dagmars verwijderd van Someren, dat is militair gezien in de buurt. Misschien is Packador de nasleep van een pagador 'betaalmeester in het Spaanse leger' die mogelijk tijdens de 80-jarige Oorlog in Someren gevestigd is geweest. Maar, omdat de oudste vermelding [1709] ruim 60 jaar na het einde van de 80-jarige oorlog is opgetekend, verwacht ik niet dat de betekenis van Packador zich beperkt tot het Spaanse leger. Ik denk dat 'betaalmeester in het leger' of in nog ruimere zin 'functionaris die betalingen verricht' de beste vertaling van Packador is. Deze naam is vervolgens als toponiem verbonden gebleven aan hun eigendommen, de gronden rond de nieuwe tennisvelden. Hoe het ook zij, deze oorlog is in ieder geval in Someren niet ongemerkt voorbij gegaan. Dat blijkt vooral uit de betalingen die in de borgemeesters-rekeningen van Someren genoteerd staan. Zoals die aan de Spaanse kapitein [1585-1586]: “Item den capiteijn van den Spaingairts inde Kerstheijlighe daighen hier gelogieert hebbende voir sommighe biletten die hij compoineerde om de selve los te laten, gegeven LXXIIII gul.” en aan Willem Slaats [1622-1625]: “van dat te zijnen huijse inde veertich soldaten geweest hebbende eetende en drinckende, mede nemende ontrent de dertich pont spec ende noch op een ander tijt XXV soldaten gegeten ende gedroncken daer voor IX gul. en VIII gul.”.

"Hoezo verraadt -dor een werkwoord? Mag Packador taalkundig wel gelijkgesteld worden aan pagador? Hoe kan een Spaanse g een k worden?"

martijnenstraat
Martijnenstraat met links het clubgebouw van tennisvereniging Packador [20.6.1967]
Talen bieden altijd mogelijkheden om van werkwoorden een zelfstandig naamwoord te maken. Wanneer we willen aangeven dat een persoon de door een werkwoord genoemde handeling verricht (Nomen Agentis) dan volstaat een achtervoegsel. In het Nederlands gebruikt men daarvoor -aar, -er en -der en in het Spaans -dor. Het zijn dikwijls beroepen, zoals: Tekenaar uit tekenen, bakker uit bakken, stoffeerder uit stofferen en in het Spaans Cargador 'bevrachter' uit cargar 'bevrachten'. In het Nederlands schrijven we cargadoor. In de archieven betreffende Someren komen in de periode 1709-1930 de volgende schrijfwijzen voor: Packedoor, Pakkedoor, Pakedoors, Pacgúedor, Pakkadoor en Pakkedoos. Dat zijn allemaal namen van mensen die in Someren woonden of namen van gronden die in Someren gelegen zijn. Pacgúedor is vrijwel gelijk aan het verouderde Spaanse paguedor. Het streepje boven de u werd in het Nederlands schrift van vóór 1800 gebruikt om de u en de n uit elkaar te houden. Evenals de extra c heeft dat geen invloed op de uitspraak. Daarmee is de link naar het huidige Spaanse pagador gelegd. Pacgúedor → paguedor → pagador. Toch wil ik iets zeggen over de andere vormen met een k, omdat die juist het uitzoeken van deze naam erg bemoeilijkt hebben. Kort samengevat, hoe kan een g een k worden? In het gewone Nederlands is dat schier onmogelijk. Het is daarom belangrijk om eerst te weten dat er in het huidige Nederlands twee verschillende /g/ klanken bestaan. Zeg maar, de gewone /g/, zoals in slager, gat en goed en de vreemde /g/, zoals in goal, garage en guirlande. De Brabantse /g/ is te beschouwen als een zachte vorm van de gewone /g/. De vreemde /g/ is bij ons terecht gekomen met uitheemse woorden en zit wat klank betreft veel dichter bij de /k/ dan onze zachte /g/. Van oorsprong is het een onbekende klank in het Nederlands. De mensen in Someren hebben terecht de g van pagador eerder voor een /k/ dan voor een /g/ aangezien. Deze vreemde /g/ en de /k/ worden met weinig luchtdoorlating achter in de keel gevormd en lijken sterk op elkaar. Alleen bij deze /g/ trillen de stembanden mee. De klankinventaris van het standaard Nederlands noemt deze /g/ de stemhebbende variant van onze stemloze /k/. Met de vernederlandsing van dit woord zijn ook typische Nederlandse spellingregels toegepast. Opvallend zijn de ck en kk, die we kennen van familienamen zoals Deckers en Dekkers. De cg in pacgúedor is volgens mij het resultaat van dezelfde regel. De vreemde /g/ is in ons geval uit een Latijnse c (die als een /k/ klinkt) ontstaan. Zo is ook de Spaanse voornaam Iago en mijn eigen naam Jaco(b) uit de Latijnse vorm Jacobus ontstaan. Beter bekend van het pelgrimsoord Santiago de Compostella 'begraafplaats van de heilige Jacobus'. Het Spaanse woord pagador betekent 'betaler' en is afgeleid van het werkwoord pagar 'betalen'. Het is voortgekomen uit het Latijnse werkwoord pacare 'schuld voldoen, tevredenstellen'. Later heeft zich daaruit de betekenis pacare 'tot rust, vrede brengen' ontwikkeld. Verwant hieraan is pax 'vrede', wat een bekender woord is. De Spaanse g in pagador kon in Someren een k worden omdat het van huis uit een k klank is.

"Is het redelijk om aan te nemen dat men in Someren bekend was met dit woord? Welke betekenis moeten we dan aan dit woord toekennen?"

spaanse furie
De Spaanse Furie of plundering van Antwerpen door muitende Spaanse troepen [4.11.1576]
De Spanjaarden rekruteerden de betaalmeesters uit de militairen met een eerder kleine gestalte, om zo hun grotere collega’s in de gelegenheid te stellen in het woelige strijdperk te treden. Hierdoor is in het Nederlands taalgebied uit pagador ook het woord pagadder 'kleine persoon' ontstaan. In het dialectwoordenboek Aastes van heure zegge staat: pagadder 'peuterke' klèèn keind. Al in 1570 werd dit woord in een uitgaande open brief van de overheid (placcaet) gebezigd. Door het staatsbankroet van Spanje in 1575 konden de troepen door de betaalmeesters niet meer voldoende betaald worden. Hierdoor sloegen ze aan het muiten. De Spaanse Furie of plundering van Antwerpen was een rechtstreeks gevolg hiervan. Het aantal slachtoffers is niet exact bekend, maar men spreekt van vele duizenden doden. Deze gebeurtenis bracht een enorme schok teweeg door de Nederlanden. Een pagador stond voor 'betaler', maar nu ook voor 'slechte betaler'. Ik neem daarom aan dat men in Someren al ruim voor 1700 bekend moet zijn geweest met de begrippen pagadder en pagador. Gelet op de schrijfwijzen en uitspraak van de varianten van Packador, denk ik niet dat de betekenis ervan bij het volkse pagadder gezocht moet worden. Ik denk eerder dat de 16e eeuwse betaalmeesters in het Spaanse leger er model voor gestaan hebben. Deze naam heeft dus niets met pak-um-door of doorpakken te maken. Packador betekent 'functionaris die betalingen verricht'.

Bronnen door mij geraadpleegd

  1. Heemkamer, aantekeningen André Remery
  2. Zegsvrouw, mevrouw Kooistra – Kruijf: de packador
  3. Aastes van heure zegge, Piet Snijders, 2006
  4. Peelbelang 3.5.1963 pagina 2, Opening T.V. Packador
  5. Foto Hk de Vonder, Schuur uit 1960
  6. Foto RHCe, Doopregister 18.4.1709 Someren
  7. Foto RHCe 0237733 coll. AVC Gem. Someren; Heuvel, J. v. d.
  8. Borgemeesters-rekeningen, Someren, 1585-1586, blz. 20v.
  9. Borgemeesters-rekeningen, Someren, 1622-1625, 2e dl, blz.72
  10. 80-jarige Oorlog begon met nederlaag, ED 29.4.2014, Binnenland, p.6
  11. gtb.inl.nl WFT lemma: pagador, pagadder
  12. www.etymologiebank.nl lemma: pagadder
  13. eindhoven.digitalestamboom.nl zoek: familienaam=pa*d*or* opmerkingen=packedoor
  14. www.archieven.nl zoek: pagador
  15. resources.huygens.knaw.nl/retroboeken zoek: paguedor, pagador, pagadoor
  16. nl.wikipedia.org/wiki/Spaanse_Furie_(Antwerpen)
  17. nl.wikipedia.org/wiki/Tachtigjarige_Oorlog
  18. nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandse_spellingregels zie: verdubbeling
  19. nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_spelling
  20. nl.wikipedia.org/wiki/Woorden_van_vreemde_herkomst_in_de_Nederlandse_spelling
  21. nl.wikipedia.org/wiki/Spaans zie: opsomming van letters; gu
  22. nl.wikipedia.org/wiki/Klankinventaris_van_het_Nederlands
  23. http://alphabeticcodecharts.com/ipa_pics_TrainingACC.pdf
  24. en.wikipedia.org/wiki/Agent_noun zie: Spanisch: -dor
  25. nl.wikipedia.org/wiki/Foneem zie: leenfoneem

De Rùjk

door Jacques van der Velden

kaart jaar 1900
Kaart ca. 1900

Het was Piet Aarts die tijdens de vergadering van de toponiemen-werkgroep deze naam ter tafel bracht. Hij zocht een verklaring voor De Rùjk. Er waren vooral veel twijfels over de spelling, maar een oplossing voor zijn probleem kwam niet in zicht. Hij plaatste deze naam ter hoogte van het kasteel bij het betonnen bruggetje over de Voordeldonkse Broekloop op Voorste Heusden, met de aantekening dat er begin 1900 een houten brug lag. De route naar de school en de kerk van Asten vanuit de Behelp was het veiligst over de Achterste, Middelste en Voorste Heusden langs het kasteel en verder over de Groenewoudse velden. Het onveilige gevoel bij de route over de Wolfsberg bracht Piet in verband met de houten brug, die nogal kraakte bij het passeren van voertuigen, waardoor vogels en andere dieren opschrikten. Dat vertelden tenminste de spookverhalen. Het was in ieder geval niet verstandig om in je eentje door De Rùjk te gaan, zo werd ons op het hart gedrukt. Het waren vooral onze ouders, grootouders en nòg verder terug onze overgrootouders, die steeds deze verhalen vertelden, aldus Piet. Ik hou het bij zijn spookverhalen.

Op zoek naar De Rùjk.

Tijdens mijn zoektocht naar De Rùjk heb ik enkele vermeldingen verzameld, die mij van belang leken voor de oplossing van het probleem. In het woordenboek “Aastes van heure Zegge” komt de ‘rùjk’ in de woordenlijst niet voor, maar heb ik wel andere woorden met deze ùj-klank gevonden. Het blijken meervouden te zijn, zoals ‘vùjt’ ‘voeten’ en ‘bùjk’ ‘boeken’. Overigens de Rùjk komt wel voor op het kaartje ‘Geminte Aaste’ in het hoofdstuk ‘Name’. De Rùjk staat daar tussen Aaste en Heuze, om precies te zijn tussen de toponiemen ‘de Twèèlf Apostele’ en ‘’t Kesteel’. In het naslagwerk “De Nederlandse vogelnamen en hunne betekenis” staat onder de Bonte kraai, Roek en Zwarte kraai de dialect benaming ‘ruuk’. Ook onder de familienamen kwam ik ‘De Ruuc’ tegen, zijnde een afleiding van de vogelnaam ‘de roek’. En in Blitterswijck Limburg hebben ze hun carnavals vereniging ‘De Ruuk’ gedoopt. Als embleem voeren zij een ‘roek’ in een wapenschild.

kaart jaar 1850
Kaart ca. 1850

Het dialect is opgeschoven richting Standaardtaal.

De Rùjk op het kaartje ‘Geminte Aaste’ kan volgens mij alleen maar betekenen dat de werkgroep ‘Aastes van heure Zegge’ van mening is dat dit de juiste schrijfwijze is en dat het ongeveer daar moet liggen. Volgens mij is dit het toponiem waar Piet Aarts een verklaring voor zoekt. Als ik de meervouden ‘vùjt’ ‘voeten’ en ‘bùjk’ ‘boeken’ op één rij zet met ‘rùjk’, dan denk ik dat ‘rùjk’ ‘roeken’ moet zijn. Hiermee werden waarschijnlijk niet alleen ‘roeken’ maar ook andere kraaiachtigen zoals de Bonte en de Zwarte kraai aangeduid. Tevergeefs had ik in de woordenlijst naar het woord ‘rùjk’ gezocht, maar helemaal op het einde van ‘t Kesteel-verhaal las ik dat het meervoud ‘roeken’, niet ‘rùjk’ maar ‘roeke’ moet zijn. Dit lijkt in tegenspraak te zijn met mijn theorie. Maar, het klopt wel degelijk, want de ‘roek’ is niet in de woordenlijst opgenomen omdat men in Asten andere namen gebruikte voor deze vogel. Volgens Piet Snijders werden in Asten de kraaiachtigen met ‘krèèje’ (kraaien) en ‘kaawe’ (kouwen) aangeduid. Ook onze oosterburen gebruiken het woord ‘roek’ niet, zij noemen dat een ‘Saatkrähe’. Maar, in de Duitse dialecten aan de oostgrens van Limburg gebruikte men een eeuw geleden wèl de woorden ‘Ruk’ en ‘Ruch’, betekenis ‘roek’, uitspraak /oe/. In het meervoud kregen deze twee woorden een umlaut. Op dit moment is in het Heusdens dialect de ‘umlaut’ van het meervoud ‘roek’ verdwenen, maar in de periode waar Piet Aarts het over heeft was dat nog niet het geval.

We spreken nu van 'roeke' in plaats van 'rùjk'.

In het begin van het Astens woordenboek, wordt uit de doeken gedaan hoe ‘Aastes’ geschreven moet worden, ik citeer: “Eigelek makt dè gin fluit uit. Want dialekt is gin taal um te schreve, mer um te praote.” en verderop staat “Riggels make is nie inváwdig, want ‘t dialekt is altijd in beweging en klonk in 1906 anders as in 2006. En dè nie alleen. Op d’n Ommelsenbosch tigge Vlierden an klinkt ‘t Aastes hil anders as in de Behelp op Heuze.”. Bij andere dialecten is dat niet anders. Toevallig weet ik van het Gemerts, dat men daar eind negentiende eeuw nog ‘buujk’ voor het meervoud ‘boeken’ gebruikte, op dit moment spreken ze daar ook van ‘boeke’. Het gaat bij de Rùjk om de basisklank /oe/-umlaut. In het Astens woordenboek heeft men er voor gekozen om dat met ‘ùj’ te schrijven. Echter, Jan van Eijk zaliger uit Heusden koos in 1964 met zijn carnavalslied er voor, om deze klank uit te drukken met een ‘eu’. Dat ging volgens Martien Giebels als volgt: ‘Mi vastenaovund dan zitten wij nie stil, we zijn dan vrujters van de Reuk tot De Pil’. In het Astens woordenboek vinden we deze klank terug in ‘beum’ betekenis ‘bomen’. Daarmee wordt dus een /oo/-umlaut uitgedrukt, een klank die dicht bij ‘ùj’ zit. Ik denk dat Jan van Eijk bewust gekozen heeft voor leesbaarheid. Een vlot liedje wordt nou eenmaal niet geschreven om de zuivere dialect-uitspraak vast te leggen. Hij heeft er voor gekozen om af te zien van het gebruik van [diacritische] tekens die voor de precieze uitspraak noodzakelijk zijn. In de huidige dialecten van Asten, Heusden, Someren, Meijel en Gemert wordt voor ‘roeken’ geen umlaut meer gebruikt. Als ik het verhaal van Piet Aarts goed heb beluisterd, dan is die gewoonte in Asten binnen enkele generaties verloren gegaan. Mijn kinderen en kleinkinderen vervoegen geen enkel woord in het meervoud met een ‘umlaut’, zij doen dat uitsluitend met de gebruikelijke achtervoegsels -en en -s.

Ze woonden op Voorste Heusden aan het begin van de Kasteellaan.

kaart jaar 1900
Op Voorste Heusden...
kaart jaar 1900
...aan het pad naar het kasteel...
kaart jaar 1900
...zijn in 1832 de slaapbomen aangegeven.
Ik denk dat het oude voetpad langs het kasteel niet in aanmerking komt voor de naam De Rùjk, omdat vroeger op en dichtbij het kasteel niet genoeg slaapbomen voor een kolonie roeken aanwezig waren. Op de oudste kadasterkaart wordt dat de Beemdstraat genoemd. Nu is het deel dat langs het kasteel loopt Kasteellaan gedoopt. Toen kon je daar rechtdoor lopen over een vonder, om vervolgens via een voetpad over de Groenewoudse velden in Asten te geraken. Iedereen die ik gevraagd heb naar De Rùjk, wijst dezelfde plaats aan als Piet Aarts. Ook het carnavalsliedje van Jan van Eijk geeft met ‘van de Reuk tot De Pil’ de grenzen van Heusden aan, namelijk ‘van de Voordeldonkse Broekloop tot de grens met Meijel’. Ook de plaats die de Rùjk inneemt op de afbeelding ‘Geminte Aaste’ in het hoofdstuk ‘Name’ bevestigt de juistheid van deze locatie. Alhoewel op de nauwkeurigheid van deze kaart nauwelijks iets af te dingen valt, zegt het Name-verhaal hierover: “Mer nie zevere over ne centimèèter of wa spulling, want we kièjke nie op vèèf menute lope!”. Ik denk dat we De Rùjk ‘de roeken’ inderdaad moeten zoeken in de bomen bij de houten brug over de Voordeldonkse Broekloop. Daar waar de Kasteellaan op de Voorste Heusden uitkomt.
klokkengieterspad
Klokkengieterspad
Daar staan opgaande bomen langs de weg, die een klein bos vormen. Blijkbaar is daar altijd al een bossage geweest. De nauwelijks rendabele driehoek tussen Kasteellaan, Voorste Heusden en Voordeldonkse Broekloop bestaat nu nog steeds voor een groot deel uit bomen en struiken. Waarschijnlijk hebben in die opgaande bomen ooit ‘roeken’ gewoond. Ze hadden vermoedelijk weinig keus, want dit is de enige plaats in die omgeving die op oude kaarten steeds met ‘loofhout’ wordt aangegeven. Roeken broeden bij voorkeur in toppen van hoge loofbomen. In spookverhalen plachten dit soort vogels in grote getale in bomen rondom kastelen voor te komen. Niet verwonderlijk, omdat daar meestal veel hoge eiken en beuken staan. De situatie wordt pas griezelig in combinatie met het kraakgeluid van een vlakbij gelegen houten brug. De vogels schrikken daarvan en vliegen daardoor massaal op. Roeken worden overigens al onrustig en gaan rondjes vliegen, wanneer wandelaars of fietsers passeren. De angst voor zwermen kraaiachtigen is bij mensen groot, dat blijkt uit de film Birds [1963] van Alfred Hitchcock. In deze film vallen kraaien schoolkinderen aan en veroorzaken enorme paniek. Het gebied net over de houten brug, aan de linkerkant vanuit Heusden gezien, werd volgens mij De Rùjk ‘de roeken’ genoemd, omdat daar ooit roeken woonden. Door de tijd heen zijn daardoor rond deze plek allerlei spookverhalen ontstaan.

Door angst gevoed, bleef deze plek De Rùjk heten.

Het is bekend dat de Middeleeuwse mens erg bijgelovig was en al schrok bij het zien van een groepje rondcirkelende kraaien. Het werd beschouwd als een teken dat er ruzie of oorlog op handen was. Hiermee wil ik niet beweren dat in Asten het toponiem De Rùjk al in de Middeleeuwen gebezigd werd. Wel denk ik dat de heksenprocessen die ooit op het kasteel hebben plaatsgevonden op de fantasie van de bevolking hun uitwerking niet gemist hebben. De Rùjk was het begin van de kasteellaan, ooit de toegang tot een duivels bedrijf. Het kesteel-verhaal vertelt hierover: “En as ge oit in ‘t dônker in de buurt van de ruïne bèènt, luister dan goe, want d’r zijn van die dààg dè zwarte wôlke zich bôvve de puinhope samepakke en de weind z’nnen aojem inhèèlt, dè ge – stil ‘s – uit de keldergewèlve de gemartelde hekse van toen um hulp heurt krijse… En as ge dè heurt zal ‘t hènnevel langs oewe reug umhôg kruipe en zààlde ge vur ins en altijd wete dè ditte verhaal echt gebeurd is…!”. Toen ik met oudere Heusdenaren over De Rùjk kwam te praten, beluisterde ik vooral de angst van vrouwen. Toen ze jong waren durfden ze in het donker daar niet alleen langs te gaan, omdat ze bang waren dat er elk moment iemand uit de bosjes kon springen die hen iets aan kon doen. Ik heb overigens geen verhalen gehoord die erop wijzen dat zoiets ook ooit gebeurd is.

Plaats waar veel roeken zich ophielden.

De Rùjk kan ook een verwijzing naar een persoon zijn, maar omdat deze naam sterk naar één bepaalde plaats wijst en omdat daar ter plaatse nooit huizen hebben gestaan, lijkt mij die uitleg minder waarschijnlijk. Er heeft in Asten ooit iemand gewoond die Gerhardus de Roock heette. Zijn naam is een variant van de familienaam ‘de Roek’. Hij overleed in Asten op 8 maart 1824. De Roock was advocaat en woonde langs Hendrik Klaas Gelling, schoolonderwijzer. Naar mijn stellige overtuiging moet dat midden in het dorp zijn geweest en komt hij daarom niet in aanmerking voor de naam De Rùjk. Of de kasteelheer ooit zo genoemd werd, is bij mij niet bekend. Ik verwacht het niet.

raaf
De raaf Nemerlaar
Het waren meestal politieagenten en veldwachters die een roeknaam kregen toebedeeld. Piet Snijders wist nog te vertellen dat hij wel ooit gehoord had van een ‘Roekenbos’, al wist hij niet waar dat dan precies was. Bij ‘t kasteel misschien? Het toponiem De Rùjk zou inderdaad ook een verkorting van ‘roeken-bos’ kunnen zijn. Met de omschrijving ‘plaats waar veel roeken zich ophouden’ meen ik aan beide mogelijkheden voldaan te hebben. Aan de ingang van de kasteellaan van het kasteel Nemerlaar (Haaren) staat op een zuil in brons de koning der kraaiachtigen, ‘De Raaf’. Misschien is het een aardig idee om aan het begin van de kasteellaan van Asten op een zuil een beeld van ‘De Roek’ te plaatsen? Een roek als ‘gerechtsdienaar belast met het toezicht op ons erfgoed’!

Bronnen:

  1. Zegslieden, Piet Aarts (Heusden), Piet Snijders (Asten) en Martien Giebels (Heusden).
  2. Aastes van heure Zegge, woordenboek en verhalenbundel, Astens dialect, 2006, Piet Snijders, Maria Verdijsseldonck-Hurkmans, Fons van den Heuvel, Frans Boerekamps en Ton Berkers.
  3. ‘t Kesteel-verhaal p85-90, Name-verhaal p115-119 met kaartje Geminte Aaste p119.
  4. https://nl.wikipedia.org/wiki/Umlaut_(klank) Umlaut, klankwijziging meervoudsvorm znw in het Twents en Limburgs.
  5. Zie ook de verwijzing “Twents op sterven na dood?”, pagina 28 en 29.
  6. http://woerterbuchnetz.de/RhWB Rheinisches Wörterbuch. Ruk II (= Ruch II), Rüke ‘junge Saatkrähe’ meervoud Rüken. “De Rüken kummen lauter in Tröppen.”.

Heemkundekring De Vonder Asten-Someren, Molenstraat 10, 5711 EW Someren, tel. 0493-472423
Heemhuis open op dinsdag van 9.00 uur tot 12.00 uur en donderdag van 19.00 uur tot 21.00 uur