logo

Voormalige fabriek G2162

Tijdens de industriële revolutie aan het eind van de 19e eeuw, werd er in Asten al volop gebruik gemaakt van stoommachines. Er was steeds meer behoefte om de petroleumlampen te vervangen door betere verlichting en er was in die tijd keuze uit elektriciteit, kolengas en acetyleen. Asten had blijkbaar als een van de eerste plaatsen in de Peel petroleum verlichting, zoals gemeld in de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant van 12-02-1867:

Echter uit een ingezonden brief in de krant de Zuid-Willemsvaart van 31-10-1900 blijkt dat het met de petroleum verlichting nog niet zo best was gesteld:

image001.jpg

Voor nieuwe openbare verlichting van de straten werd de gemeente Asten voor een keuze uit de drie bovengenoemde bronnen gesteld, waarbij men in eerste instantie voor verlichting op acetyleengas heeft gekozen. De reden hiervoor was dat elektrische verlichting meer dan tien keer zo duur uitviel dan de gasverlichting. Onderstaand verhaal over verlichting met gas in de loop van de tijd is ontleend aan 'Historama rond 1900'1:

Gaslicht werd in 1783 ontdekt door de Maastrichtse wetenschapper Jan Pieter Minckelers (1748-1824). In 1785 verlichte hij er zijn collegezaal mee en liet zijn studenten versteld staan. Dit gas was gemaakt uit steenkoolgas, een procedé dat significant verbeterd zou worden door de Britten William Murdoch (1754-1839) en Samuel Clegg (1781-1861). Gedrieën tellen ze daarom als uitvinders van de gasverlichting. Later kwam er ook nog ander gas beschikbaar, zoals oliegas dat werd gefabriceerd uit raapzaad en lichtgas, een soort kolengas waar meer methaan in zat.
Revolutionair aan de ontdekking van gaslicht is dat het de eerste brandstof ooit was die werd verspreid via pijpleidingen. Aanvankelijk ging dat via een gesloten systeem waarbij de leidingen waren aangesloten op de gasfabriek die het gas produceerde. Daardoor kwam de verspreiding maar traag op gang. Het was voor een gemeente immers een kostbare en heftige aangelegenheid om fabriek en bijbehorende leidingen te laten aanleggen. In eerste instantie werd gasverlichting alleen gebruikt voor straatverlichting. Maar ook dat was luxe, want de oude olielantaarnpalen moesten allemaal worden vervangen. In latere tijden kwamen er ook steeds meer gaslampen voor gebruik binnenshuis en werden leidingen doorgetrokken naar woonhuizen.
Hoewel gas in veel opzichten beter, sterker én veiliger was dan olie- en petroleumlampen, was het lange tijd niet ideaal. Het was betrekkelijk zwak en erg geel van kleur. De gloeilamp, uitgevonden in 1878, leek het beter te doen, al was ook die nog verre van op zijn best.
In de aanloop naar de 20e eeuw werden er op het gebied van gasverlichting twee interessante nieuwe uitvindingen gedaan. Dat waren die van het gloeikousje en van de carbidlamp. De eerste maakte dat gaslicht populairder werd als nooit eerder, ondanks het feit dat de gloeilamp al in opkomst was. De tweede was met name van belang voor verplaatsbaar licht, zoals verlichting op fiets en auto's, maar werd ook gebruikt op plaatsen waar geen gasleidingen waren. Voor beiden gold dat ze een verhoogde lichtkwaliteit gaven door witgloeiend licht te bieden oftewel incandescentie.
De carbidlamp was een vorm van verlichting met behulp van een heel ander type gas dan reguliere gasverlichting. Ergens in 1899 of 1900 is hij op de markt gekomen, maar het fijne is daar helaas niet van bekend. Behalve dat dit uiteraard gebeurde nadat het carbid zelf was uitgevonden, waarschijnlijk in 1892. Carbid is een brandstof die je krijgt wanneer je de cokes van steenkool in een elektrische oven versmelt met gebrande kalk. Als dit vervolgens in aanraking komt met water ontstaat er acetyleen. Acetyleengas levert helaas het nodige ontploffingsgevaar op, zodat men er niet meteen lampen mee kon maken. In 1895 ontdekte men echter dat je acetyleen veilig kunt gebruiken door het met lucht te mengen voordat het wordt ontstoken.

Het eenvoudige principe wordt toegelicht aan nevenstaande plaatje, waarbij in afgesloten vat d water uit reservoir b met kraan c op het carbid a wordt gedruppeld. Via uitlaat e wordt het vrijgekomen acetyleengas naar een buizenstelsel gebracht dat uiteindelijk naar de lantaarns leidt. Elke avond ontsteekt een lantaarnopsteker, veelal de nachtwaker, het gas bij de lantaarns. Johannes Mikkers, geboren te Asten op 23-09-1842 als zoon van Benedictus Mikkers en Allegonda Maria Gragtmans, was voor zover bekend in die tijd nachtwaker en lantaarnopsteker. Hij is te Asten op 29-10-1866 getrouwd met Antonia Bukkems, geboren op 21-11-1838 te Lierop als dochter van Francis Bukkems en Francina van den Einde. Na haar overlijden te Asten op 17-02-1900 is Johannes Mikkers te Asten op 19-10-1903 hertrouwd met Arnoldina Broens, geboren te Someren op 03-04-1861 als dochter van Mathijs Broens en Johanna Engelen en weduwe van Petrus Augustinus Smits.

image003.jpg

Hoe de introductie van acetyleengas in Asten verliep is uit krantenartikelen op te maken. De kranten de Zuid-Willemsvaart van 13-11-1901 en 16-11-1901 melden van een proef met acetyleen licht:

image005.jpg

image007.jpg

In de raadsvergadering van 19-06-1902 benoemt het gemeentebestuur een commissie om de zaak te behandelen, zoals gemeld in de krant de Zuid-Willemsvaart van 21-06-1902:

image009.jpg

De commissie verrichtte snel werk, want twee weken later wordt het werk al aanbesteed, aldus De Peel- en Kempenbode van 05-07-1902:

image011.jpg

De firma Heringa en Wüthrich bestaat nog steeds in Haarlem en men schrijft zelf over hun geschiedenis het volgende2:

Heringa & Wuthrich is een goede bekende in Haarlem en omgeving. De filosoof en leraar natuurkunde doctor Heringa was namelijk de initiatiefnemer van grootschalig elektrisch licht in Haarlem. Meer dan 100 jaar geleden startte de gemeente Haarlem met de aanleg van het eerste elektriciteitsnet. De erfenis van doctor Heringa staat ook vandaag de dag nog garant voor de beste installatietechniek in de regio Haarlem.

Het gasgebouwtje, bij Astenaren bekend als het lichthuisje, komt te staan op gemeentegrond aan de Schutsboom, waarvan de aanbesteding wordt gemeld in de krant de Zuid-Willemsvaart van 27-08-1902:

image013.jpg

Volgens de overlevering heeft voor die tijd daar een huisje heeft gestaan, dat bedoeld was om heideplanten te vermalen en het maaisel te gebruiken als voer voor schapen. Dit huisje is rond 1900 gebouwd, maar daarover is bij het kadaster niets terug te vinden, mogelijk ook omdat het geen woonbestemming had.

In Het nieuws van den dag van 19-12-1902 staat de mededeling dat het werk is voltooid:

image015.jpg

Hieronder een foto van een gaslantaarn in Asten bij de marechausseekazerne op de hoek van de huidige Emmastraat en Burgemeester Frenckenstraat:

image017.jpg

In de tussentijd waren er ook particulieren die interesse hadden in verlichting met acetyleengas. Echter in de zomer of bij voldoende maanlicht werden er geen lantaarns ontstoken en konden zij niet van gas worden voorzien. In de krant de Zuid-Willemsvaart van 20-02-1909 wordt er gesproken over uitbreiding van het gasnet door de gemeenteraad van Asten in hun vergadering van 19-02-1909:

image019.jpg

In het bevolkingsregister van Asten over de periode 1910-1920 kent het acetyleengebouw huizingnummer A61:

image021.jpg

Er waren wel particulieren, die gas afnamen maar in 1917 wordt het acetyleenfabriekje opgeheven mede omdat het buizenstelsel snel versleet en men stapte over op elektriciteit. In het Dagblad van Noord-Brabant van 11-07-1917 wordt aan beheerder Gerardus Bemmelmans pensioen toegekend:

In de Maasbode van 11-08-1917 staat het bericht dat aan lantaarnopsteker en nachtwaker Johannes Mikkers, woonachtig op de huidige Emmastraat, pensioen wordt verleend:

image023.jpg

Johannes Mikkers is op 04-02-1927 te Asten overleden.

Toch had de gemeenteraad in 1900 al het voornemen om met elektriciteit het dorp te verlichten, aldus Het Nieuws van de dag van 28-12-1900:

image025.jpg

Fabrikanten als Eijsbouts (in 1901) en Bluijssen (in 1905) maakten al gebruik van elektriciteit, maar voor de gemeente Asten viel de keuze op acetyleengas, zoals we al eerder zagen. Rond 1910 wordt melding gemaakt van het project Peelcentrale als elektriciteitscentrale voor de stroomvoorziening in Asten en omliggende dorpen. Dit project Peelcentrale is echter een zachte dood gestorven.

In het boek Asten 'n eeuw historie van een Peeldorp van Jean Coenen lezen we:

Op 15-06-1917 werd van een ijsfabriek uit IJmuiden een zuiggasmotor van 40 paardenkracht gekocht die door Johannes Hubertus (Hannes) van Empel, tevens nachtwaker wonend op de huidige Marktstraat, bediend werd. Als de motor goed liep, kroop hij onder de heg om bij Peter (Peerke) van Dijk in café Oude Molen een borreltje te pakken. Zodra er problemen waren, snelde hij met de naast het café wonende zonen van molenaar van Stekelenburg naar het motorhuis om de motor weer aan de praat te krijgen. Johannes Hubertus (Hannes) van Empel werkte tot elf uur 's avonds en 7 minuten voor het einde van zijn diensttijd remde hij de motor af, waardoor het lichtvolume daalde. Men wist dan dat het tijd was om naar bed te gaan.

De zuiggasmotor kon met opgewekt gas elektriciteit leveren en in de krant de Zuid-Willemsvaart van 21-08-1917 stelt de gemeenteraad voor om een uitgavepost voor het elektriciteitsbedrijf in te stellen:

image027.jpg

Bij het kadaster is het gas- gebouw rechtsonder terug te vinden, rechts aangegeven op de kadasterkaart als item zonder nummer uit 1907. Geheel rechts als motorhuis in bezit van de gemeente Asten met kadasternummer G2162, uit 1919.

image029.jpg image031.jpg

Uit een ingezonden brief in de krant de Zuid-Willemsvaart van 25-08-1917 blijkt dat het nog wel enige moeite kostte om de motor in werking te stellen:

image033.jpg
In de Nederlandsche Staatscourant van 26-07-1918 neemt de Provinciale Noordbrabantsche Elektriciteits Maatschappij al het voortouw op gebied van elektriciteitsvoorziening:

image035.jpg

In de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant van 22-11-1919 worden de vorderingen van de elektrificatie van Noord-Brabant genoemd:

image037.jpg

In de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant van 30-08-1920 wordt gemeld dat in een raadsvergadering om een stroomleveringscontract met de Provinciale Noordbrabantsche Elektriciteits Maatschappij af te sluiten en in de krant de Zuid-Willemsvaart van 04-09-1920 de instemming van de gemeenteraad met het contract:

image039.jpg
image041.jpg

Met de komst van elektriciteit had men nog wel af te rekenen met de baldadigheid van de dorpsjeugd, zoals een voorval vermeld in de krant de Zuid-Willemsvaart van 21-10-1920:

Als directeur van het Gemeentelijk Energie Bedrijf is aangesteld Petrus Antonius Melis, wonend op het huidige Koningsplein. In de krant de Zuid-Willemsvaart van 29-01-1921 staan drie mededelingen, met daarnaast in diezelfde krant van 23-06-1921 nog een vierde mededeling:

  • de opbrengst over de maand december
  • de aansluiting van Ommel op het elektriciteitsnet
  • de verkoop van de motor uit het motorhuis
  • bij onweer een lamp aanzetten
image043.jpg image045.jpg

De aanstelling van Petrus Antonius Melis als directeur van het Gemeentelijk Elektriciteits Bedrijf was slechts van korte duur. Linksboven in de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant van 30-10-1922 zijn eervol ontslag als directeur van het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf, rechts in de krant de Zuid-Willemsvaart van 06-12-1922 zijn verzoek om herziening die afgewezen wordt en linksonder in dezelfde krant van 12-04-1923 wordt zijn beroep hierop ongegrond verklaard:

image047.jpg

image051.jpg

image049.jpg

Ook aan Johannes Hubertus van Empel wordt eervol ontslag als nachtwaker verleend, zoals gemeld in de krant de Zuid-Willemsvaart van 02-01-1923:

image053.jpg

Dit betekende het einde van de zelfstandige verlichting van Asten en de heidemalerij, annex acetyleengebouw en annex motorhuis is verkocht aan Francis Cornelis Joppe (zie Burgemeester Wijnenstraat 52).

Overzicht bewoners

Voormalige fabriek
# Periode Naam hoofdbewoner Geboorte Tweede persoon Geboorte Vertrek
A60 1902-1910 acetyleengebouw
A61 1910-1920 acetyleengebouw
A61 1920-1923 lichthuisje

Referenties


De meest gebruikte referenties staan in de introductie vermeld

Laatst bijgewerkt op 11 september 2021, 11:07:29

XS
SM
MD
LG
XL

Heemhuis, Molenstraat 10 Someren
Open op dinsdag van 9 tot 12 uur en op donderdag van 19 tot 21 uur.


Archeologiehuis, Molenstraat 14 Someren
Open na afspraak met een van de bestuurleden.

Printen