vonder kop
vonder kop

Voormalig huis, G1241

In 1867 wordt een deel van een naastgelegen huis afgesplitst (zie Voormalig huis, G655) en het deel wordt verkocht aan en bewoond door Margaretha van Bussel, geboren te Asten op 27-04-1809 als dochter van Peter Philips van Bussel en Petronella van Hamsvoort. Zij is sinds
14-06-1846 weduwe van Hendricus van Gerwen, geboren te Asten op 25-08-1808 als zoon van Joseph Arnold van Gerwen en Helena Adami van de Kerkhof, met zij op 31-01-1840 te Asten getrouwd was. In het bevolkingsregister van Asten over de periode 1859-1869 wonen zij in het huis met huizingnummer A9b:

01

Ook over de periode 1869-1879 woont Margaretha van Bussel als winkelierster met haar kinderen in het huis met dan huizingnummer A12:

02

Ook in de periode 1879-1890 woont Margaretha van Bussel met haar zoon Hendrikus van Gerwen in het huis met dan huizingnummer A11:

03

Margaretha van Bussel is op 19-01-1886 te Asten overleden en het huis komt op naam van zoon Hendrikus van Gerwen, geboren te Asten op 08-07-1846 en van beroep klompenmaker. Hendrikus van Gerwen is op 20-11-1890 te Asten getrouwd met Johanna van Bussel, geboren op 01-10-1849 te Asten als dochter van Johannes van Bussel en Hendrina Verrijt. Ook in de periode 1890-1900 wonen zij in het huis met dan huizingnummer A11:

04

Hendrikus van Gerwen is op 16-12-1890 te Asten overleden en Johanna van Bussel is op 22-09-1893 te Asten hertrouwd met arbeider Willem van de Poel, geboren te Asten op 25-11-1862 als zoon van Johannes Michiel van de Poel en Catharina van Bree. Er wonen verschillende andere bewoners in en ook over de periode 1900-1910 en in de periode 1910-1920 wonen zij in het huis met achtereenvolgens huizingnummer A13 en A14:

05

Willem van de Poel is op 22-11-1918 te Asten overleden en Johanna van Bussel verhuist naar A458. Hieronder een foto van het Koningsplein van 1910 met links de woning van Willem van de Poel. Rechts daarvan het oude postkantoor met een postwagen, later gebruikt als burgemeesterswoning.

06

In 1920 wordt het huis verkocht aan Johanna Maria (Jans) Douzé, geboren te Asten op 29-07-1874 als dochter van schoenmaker Godefridus Antonius Douzé en Wilhelmina Aarts. Zij is op 29-04-1921 te Asten getrouwd met doodgraver Wilhelmus (Willem) van Bussel, geboren te Asten op 10-05-1876 als zoon van Hendricus van Bussel en Petronella van Deursen. In het bevolkingsregister van Asten over de periode 1920-1930 wonen zij in het huis met huizingnummer A15, ook bekend staand als Koningsplein 12:

07

In de krant de Zuid-Willemsvaart van 25-07-1930 wordt gepleit voor goed onderhoud van het plantsoen bij het Koningsplein en wordt ook melding gemaakt van het 25-jarige dienstverband van Jans Douzé:

08

Ook over de periode 1930-1938 wonen zij in het huis aan het Koningsplein 12:

09

Jans Douzé was een markante vrouw in Asten en Wim Nolens heeft er een heel verhaal aan gewijd:

In de archieven van een of ander Brabants dorp moet het doopceel te lichten zijn van een vrouwelijk wezen, dat ooit lang geleden het levenslicht aanschouwde en destijds in het boek van de burgerlijke stand stond ingeschreven als Doezee, Johanna. Verdere voornamen vond de aangever van destijds blijkbaar overbodig. Het prille wicht schijnt voorspoedig te zijn opgegroeid, zoals ik later heb kunnen constateren. Haar naam schijnt al spoedig veranderd te zijn. Johanna was te omslachtig en veranderde al spoedig in Jans. Deze naam past ook beter bij dit wezen. Vooral op latere leeftijd zou de naam Johanna beslist hebben misstaan. Ik zal trachten U een korte beschrijving te geven van deze uitzonderlijke persoonlijkheid.
Hoofd: vooruitstekende scherpe neus, brutale ogen,met een priemende blik, dikke lippen, een mond met diverse zakjes van rottende tanden en de kin met een aankomend grijs stoppelbaardje.
Romp: vóór- en achterzijde even plat, om zo te zeggen evenwijdig.
Kleding: altijd gekleed in dezelfde zwarte uitrusting, geen sieraden, zwarte kousen, twee rechts, twee averechts, zwarte plompe schoenen inschieters en, als zij thuis was, grote klompen.
Wat echter haar brutaliteit betrof, zo moest er nog een tweede geboren worden. In het dorp was zij alom bekend als het gemeentemeubel. Zij had namelijk diverse instanties als vaste klant. Zij was de vaste schoonmaakster van onder andere het gemeentehuis, de kerk en nog enkele vaste adressen. Haar week was op deze manier dus heel aardig gevuld. Voor het huishouden moest Willem maar zorgen. U zult misschien zeggen: "Wie is Willem?". Dat zal ik even uitleggen: Jans was met Willem gehuwd. Willem was turfsteker geweest, was een goeie knul met een intelligentie vér beneden het gemiddelde. Maar dit was voor Jans totaal geen bezwaar geweest om Willem in 't huwelijksbootje te lokken. Liefde was het niet geweest, alleen naar eigenbelang. Zij had iemand nodig voor het stoken van de plattebuiskachel, den herd schoonmaken en er weer zand strooien, de turf halen, houtjes hakken, erpel schillen, groente schoonmaken, voor de geit, de konijnen en de katten zorgen, en dat deed hij allemaal prima. Denken hoefde Willem niet; dat deed Jans wel. Kinderen hebben zij, voorzover ik weet, nooit gehad. In 't dorp werd beweerd, dat Willem niet wist hoe 't moest. En, ofschoon hij meermaals een snauw moest incasseren, voelde Willem zich toch heel gelukkig.
Jans' voornaamste dag was de maandag. Zij moest dan de kerk schoonmaken. Als zij dan haar speurtocht deed tussen en onder de banken, zou het al heel gek moeten lopen als zij niet nog menig centje en dubbeltje vond dat de beminde gelovigen Zondags hadden laten vallen. Welk centje Jans als haar persoonlijk eigendom beschouwde. Soms kwam mijnheer pastoor wel eens kijken: "Zeg Jans, hedde gij gezien dat er een spinnenweb loopt van Antonius z'n vinger naar z'n grote teen?". Jans met vuurspuwende blik: "Dè hoefde gij nie te zeggen, dè zie ik zelf ook wel." De pastoor droop af, met Jans viel niet te praten. Wél stamelde hij nog zachtjes: "Zalig zijn de armen van geest, want hen behoort het rijk". Nou dat weet ik nog zo net niet.
Het gemeentehuis was haar tweede vaste klant. Daar kwam zij tweemaal per week, want die lui maakte een rotzooi, niet te beschrijven!. De burgemeester z'n kamer viel nogal mee. Die rookte namelijk niet, dus dat scheelde 'n heel stuk. Met zo'n uurtje was 't daar wel bekeken. Vóór elven kon ze daar echter niet terecht, want dan had den Burger nog 't één en ander te bespreken met de twee wethouders en de secretaris. Die kerels hadden nog kwalijk hun hielen gelicht of Jans schoof naar binnen met de kreet: "Willem, allie vrouw zal de koffie wel klaor hebben; kom 't urste uurke maor niet terug met de groeten aan oew vrouw en tot ziens". Met die lui van de secretarie had zij meestal méér moeite. Met de sik ging 't nog wel, want die was al lang gelukkig als hij Jans zag komen, want dan wist hij, dat Antje z'n pikketanisje had klaar staan voor inwendig gebruik. "Zeg sik, niet teveul vandaog, anders moet ik oe weer de trap ophijsen". De secretaris dook naar beneden. De trap eindigde onder de veranda van 't cafe' van Antje, practisch vlak voor de ingang. Dit was z'n dagelijkse uitstapje althans op de weekse dagen. Ook in het weekend kwam hij niets tekort. "Zeg Raaymakers, gij óók opgedonderd anders kan ik niet opschieten". Het betrof hier de enige werkende gemeenteambtenaar, die burgemeester en wethouders bij eventuele afwezigheid maar tegelijk gebombardeerd hadden tot ambtenaar van de burgerlijke stand. Hij kon bijvoorbeeld huwelijken sluiten bij afwezigheid van burgemeester of secretaris. Dit betrof echter meestal de meer simpele bruiden en bruidegoms, het ceremonieel voor de beter gesitueerden bleef in handen van jullie begrijpen wel. Wat de werkwijze en het optreden van Jans betrof, de heren waren eraan gewend en was zij door de magistraten al lang voor gek verklaard en was commentaar dus overbodig.
De derde vaste klant van Jans was "de Toko", 'n soort galanteriezaak, 'n klein warenhuis zouden wij het tegenwoordig noemen. Behalve levensmiddelen werd hier van alles verkocht, huishoudelijke artikelen, zoals potten en pannen, lepels, vorken en messen, garen en band, enzovoorts. De laatste maanden had de Toko echter iets bijzonders. Voor de linker etalage prijkte namelijk een prachtig zwart emaille kolenfornuis dat bij onze dorpsbewoners zeer veel bekijks had. Niemand wist wat het kostte want de prijs stond er niet op. Dat was in die tijd ook niet verplicht. Er gingen zo ongeveer twee maanden voorbij toen het dorp plotseling werd opgeschrikt door de mare dat de Toko failliet was. 'n Dag later ging de Toko in vlammen op en 't was een ravage, maar 't rare was dat in de verbrande restanten geen stukje van een verbrand fornuis was te vinden. Dit zou waarschijnlijk altijd een raadsel zijn gebleven, ofschoon wel allerlei gissingen de ronde deden. Een dag later was het raadsel toch al opgelost Willem van Jans ging elke week turf halen bij Toon Brouwers, de brandstofhandelaar. Op die bewuste dag kwam Willem echter bij Toon en zei: "Naw moet ik gin törf hebben, maar eierkolen. Ons Jans he 'n fernuis gekocht. Ik heb 't zelf vannacht bij de Toko weggehaold". Dit verhaal ging vliegensvlug door 't dorp en toen 's avonds de olielamp bij Jans brandde, konden de gluurders onder hen duidelijk het spikspinternieuwe fornuis zien staan, nog niet in gebruik maar wel opgesierd met enkele heiligenbeelden, met en zonder stolp en sommige nog beschadigd en met lichte brandplekken.
Één dezer dagen stonden ze nog in de etalage van de Toko. Het geheim van de brand en het fornuis bleef echter bewaard en is ook nooit opgelost. Jans bleef haar bezigheden normaal vervullen en Willem's taak bleef identiek. Alléén de turf had plaats gemaakt voor de eierkolen. Zijn zorgen voor 't knijn, de hennen en den herd bleven als vanouds. Niemand heeft ooit begrepen hoe Jans die slag had geslagen. Toon Brouwers heeft nog menig mudje eierkolen kunnen leveren.
In die dagen werden alle dorpelingen verrast met een stuk papier in de brievenbus of onder de deur doorgeschoven waarop een toepasselijk lied op de recente gebeurtenis in ons dorp. Het wijsje was erbij vermeld. Dat was van een bekend Frans liedje in die dagen.

In Asten was een grote zaak, die ging niet bijster goed.
Nu dat gebeurt nog wel 'ns vaak, dra stond de boel in gloed.
De buren zaten zeer benauwd, maar Toontje was niet bang;
Zijn koffer stond reeds aan de deur, het zaakje was klaar, reeds lang.
Refrein:
Nu bij elkaar gepakt, en gauw maar afgezakt,
Al stond Marie in haar hemd op straat, de brand kon voor haar geen kwaad.

De assurantie betaalde goed, doch dit baatte ook al niet.
Reeds gauw zat men weer op zwart zaad; toen ging de Toko failliet.
De zaak moest worden ondergebracht, in raadhuis en oude school,
En Jans werd aangesteld als wacht, goed waken was nu het parool.
Refrein:
Daar stond een prachtig fornuis, Jans had dit gauw in huis.
En heiligen met en zonder kop, verhuisden ook per abuis.

Vier jaren waren voorbij gegaan, toen besliste het gerecht.
De goederen kwamen nu weer vrij, de rechters zijn wijs zo men zegt.
Het prachtige fonkelnieuwe fornuis, niemand kende het meer;
Een heel oud prul stond in de plaats met goedvinden van meneer.
Refrein:
Waar was het nieuwe fornuis? Het stond bij Jans in huis.
En heiligen met en zonder kop, die prijkten er boven op.

Dus vrienden neem deez' les in acht en komt ge soms in nood,
Jans heeft, zoals ge weet veel macht, haar macht is wonder groot.
De Schout van 't dorp zit onder haar plak, de Sik ook al evenzeer,
Pastoor en distributiebureau, staan onder haar beheer.
Refrein:
Maar alles heeft zijn grens, 't gaat niet altijd naar wens,
Ook met 'n grote brutale smoel, bereikt men niet altijd zijn doel.

Het verhaal is toch iets anders dan Wim Nolens heeft onthouden. Op de eerste plaats is Jans Douzé geboren in Asten, haar grootvader is afkomstig van Bovenkarpsel, maar trouwde in 1838 in Asten met Joanna Tabbers. De brand in de Toko is ook waar, maar de spullen van failliete boedels werden opgeslagen in de voormalige school op het Koningsplein en Jans werkte daar en had dus ook de sleutel. Ze vond het zonde dat al dat goede spul daar zomaar stond en heeft dus wel eens dingen geruild of kapotte beelden een ander adres gegeven.

Links een foto van het huisje waar aan de rechterkant Jans Douzé woonde en rechts loopt Jans Douzé bij het 'Hoebens peike' dat tussen haar huis en de burgemeesterswoning liep met daaronder foto's van dit 'Hoebens peike' en nogmaals het huis.

10
11
11a
11b

Johanna Maria (Jans) Douzé is op 23-02-1953 te Vught overleden en hieronder haar overlijdensakte en bidprentje:

12
13

Wilhelmus (Willem) van Helmond is op 27-04-1959 te Asten overleden en hieronder het bidprentje en de akte bij zijn overlijden:

14
15

Overzicht bewoners

Koningsplein 12

# Periode Naam hoofdbewoner Geboorte Tweede persoon Geboorte Vertrek
A9b 1867-1869 Margaretha v Bussel Asten 27-04-1809 weduwe v Gerwen
A12 1869-1879 Margaretha v Bussel Asten 27-04-1809 weduwe v Gerwen
A11 1879-1886 Margaretha v Bussel Asten 27-04-1809 weduwe v Gerwen 19-01-1886
A11 1886-1890 Hendrikus v Gerwen Asten 08-07-1846 Johanna van Bussel Asten 01-10-1849
A11 1890-1890 Hendrikus v Gerwen Asten 08-07-1846 Johanna van Bussel Asten 01-10-1849 16-12-1890
A11 1891-1900 Willem van der Poel Asten 25-11-1862 Johanna van Bussel Asten 01-10-1849
A13 1900-1910 Willem van der Poel Asten 25-11-1862 Johanna van Bussel Asten 01-10-1849
A14 1910-1918 Willem van der Poel Asten 25-11-1862 Johanna van Bussel Asten 01-10-1849 22-11-1918
A14 1918-1920 Johanna van Bussel Asten 01-10-1849 weduwe vd Poel naar A458
A15 1920-1930 Willem van Bussel Asten 10-05-1876 Johanna Maria Douzé Asten 29-07-1874
12 1930-1938 Willem van Bussel Asten 10-05-1876 Johanna Maria Douzé Asten 29-07-1874

De meest gebruikte referenties staan in de introductie vermeld
Laatst bijgewerkt op 13 augustus 2019, 09:57:24

Heemhuis, Molenstraat 10 Someren, open op dinsdag van 9 tot 12 uur en op donderdagavond van 7 tot 9 uur.
Voor bezoek aan het Archeologiehuis, Molenstraat 14 Someren, dit vragen in het heemhuis.